Aanvulling agenda zomerweek: Spinoza en de Europese Verlichting

De  agenda van de zomerweek in Barchem is aangevuld. Link naar de agenda en het  inschrijvingsformulier:

https://www.spinozahuis.nl/main.php?obj_id=515685814&year=2018&month=07&


Spinoza en de Europese Verlichting

Titels, sprekers en samenvattingen van de voordrachten

 

'Enkele antwoorden op de vraag: wat is verlichting?'

Piet Steenbakkers

In 1784 publiceerde Kant zijn verlichtingsmanifest Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung? Zijn beroemde antwoord luidde: ‘Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft.’ Kant ziet de verlichting als de ontwikkelingsfase waarin de mensheid de volwassenheid bereikt. De geschiedenis is dan een doelgericht proces van groei en vooruitgang. In het denken over de verlichting is een dergelijke normatieve benadering nog altijd gangbaar. ‘Moderniteit’ is een historische categorie die nauw verwant is aan die van de verlichting: de invulling van deze twee termen loopt door elkaar. In mijn bijdrage aan de zomerweek zal ik niet proberen het wezen van deze periodeaanduidingen te doorgronden. Veeleer wil ik laten zien hoe uiteenlopend de invullingen zijn die eraan gegeven worden, hoe ze nu eens beschrijvend en dan weer sterk normatief zijn opgevat, en welke problemen door deze terminologische vloeibaarheid ontstaan. Ook het onderscheid tussen radicale en gematigde verlichting komt aan bod, evenals de vraag of er nog meer soorten verlichting zijn. In de discussie over de verlichting spelen religie en politiek een grote rol; denk aan kwesties als secularisatie, religiekritiek, gewetensvrijheid, emancipatie, de politieke macht van godsdiensten. Dit alles als achtergrond van het thema van deze zomerweek: Spinoza en de Europese verlichting.
 
 
Spinoza en Kant: spinozisme in de verlichting.

Henri Krop

Lang hebben historici gedacht dat Spinoza in de verlichting zozeer vergeten was dat Jacobi hem in zijn Brieven over Spinoza (1785) met recht kon vergelijken met ‘een dode hond’.  Eerst in het laatste decennium van de achttiende eeuw zou in Duitsland een ware renaissance van het spinozisme hebben plaatsgevonden, die hem tijdens de romantiek de status van een seculiere heilige gaf. Voor hem wilde de filosoof Schleiermacher in 1799 een haarlok offeren en Hegel  zag de Nederlandse wijsgeer aan het begin van het moderne denken staan door zijn ontdekking dat de natuur als één substantie gedacht moet worden. Na Spinoza zou de filosofie nooit meer hetzelfde kunnen zijn.  Jonathan Israel heeft dit historische beeld onderuit gehaald. Spinoza zou geenszins de vervloekte ex-jood zijn geweest waar in het begin van de verlichting Bayle en Newton vanwege zijn misbruik van de meetkundige methode definitief mee hadden afgerekend. Zijn werk zou zowel in noord als zuid Europa blijvend gelezen zijn en daarmee aan het begin staan van onze moderne wereld. De waarheid ligt, zoals zo vaak, niet in het midden, maar wel in het detail. In deze bijdrage zal aan de orde komen hoe verschillende verlichtingsdenkers naar Spinoza keken. Welke kritiek hadden zij en wat namen zij over? 
 

Spinoza en de vroege Verlichting in Nederland

Frank Mertens

Wie in de eenentwintigste eeuw spreekt over de vroege Nederlandse Verlichting, kan nog moeilijk heen om Jonathan Israels twee massieve werken Radical Enlightement (2001) en Enlightenment Contested (2006). Daarin wordt de vroege Nederlandse Verlichting, en dan met name Spinoza en zijn kring, geportretteerd als de bakermat van de ‘Radicale’ en uiteindelijk ook de ‘Hoge Verlichting’. Dit doet uiteraard allerlei vragen rijzen. Is Israels stelling dat zowat alle belangrijke principes van de Hoge Verlichting reeds door de vroege kring rond Spinoza geformuleerd werden al dan niet houdbaar?  Hoe definieert Israel zijn centrale tegenstelling tussen een ‘radicale ‘ en een ‘gematigde’ Verlichting? Slaagt hij erin om te onderbouwen dat die tegenstelling ook van toepassing is op de vroege Spinozakring en in hoeverre kan de tegenstelling uiteindelijk bijdragen aan een beter begrip van de intellectuele evoluties in de tweede helft van de zeventiende eeuw? Daarbij onmiddellijk aansluitend kan de vraag gesteld worden of Spinoza en de vroegste ‘spinozisten’, zoals bijvoorbeeld Van den Enden, Bouwmeester of de gebroeders Koerbaghs, terecht beschouwd worden als vertegenwoordigers en ‘founding fathers’ van die Radicale Verlichting?  Israels visie op het ontstaan van de Radicale verlichting rond het midden van de zeventiende eeuw in de Nederlandse Republiek gaat bovendien gepaard met het onderbelichten of negeren van een aantal religieuze en filosofische stromingen. Zo wordt de spiritualistische traditie vrijwel volledig genegeerd (Coornhert en Niclaes worden bijvoorbeeld geen enkele keer vermeld in de twee bovengenoemde werken). Voorts wordt de vroegere traditie van het natuurrechtdenken sterk onderbelicht (Grotius wordt meestal slechts terzijde genoemd en de School van Salamanca/Coimbra blijft geheel buiten beeld). Hel collegiantisme krijgt weliswaar wat meer aandacht toebedeeld, maar Britse ‘radicale’ stromingen zoals Levellers, Diggers of Quakers blijven grotendeels buiten beschouwing. Betekent dit dan tevens dat het idee van een Radicale Reformatie verworpen moet worden, waarbij heel wat figuren uit Spinoza’s kring dan niet langer als ‘reformateurs’, als ‘stiefkinderen van het christendom’ of als ‘chrétiens sans église’ beschouwd zouden moeten worden? En tot slot: sluiten de noties Radicale Reformatie en Radicale Verlichting elkaar uit of zijn ze op een of andere wijze met elkaar te verenigen?
 

Spinoza en de Britse Verlichting

Hannah Laurens

Tekenend voor de West-Europese Verlichting, of het nu Nederland, Frankrijk, Duitsland of Engeland betrof, was het ideaal van de Rede: kennis en geluk liggen niet langer in de goddelijke verlossing in het hiernamaals, maar in de cultivering van de menselijke Rede. Spinoza, zoals de titel van zijn Tractatus de Intellectus Emendatione al aangeeft, is een cruciale grondlegger van dit ideaal. Beatitudo ontstaat uit ontwikkeling van de Ratio. Hoe bouwde de Britse Verlichting hierop voort? In deze bijdrage kijken we specifiek naar de parallellen en verschillen tussen Spinoza en de Britse Verlichtingsdenkers. Allen zijn op zoek naar de kern van de ultieme realiteit, maar Spinoza’s deductieve rationalistische system staat in sterk contrast tot het inductieve empirische denken van Britten zoals Bacon en Newton. Ook in de kennisleer, psychologie en ethiek komt dit contrast naar voren. Vanuit zijn kennisleer gebaseerd op a priori principes, beredeneert Spinoza een psychologie waar de conflicten tussen emoties en de rede zich oplossen in het hoogste goed van de mens, een rationele en intellectuele liefde voor God/natuur. Bij Britse denkers zoals Locke, Hume en Shaftesbury, ligt de nadruk op de waarneming: kennis wordt vergaard door observatie, de menselijke psyche wordt gevormd door ervaring, en goed en kwaad is een kwestie van gevoel. Ondanks deze uiteenlopende verschillen, zijn er ook gelijkenissen: zowel bij Spinoza als bij Locke staan politieke waarden zoals gelijkheid, tolerantie, en democratie centraal. Tot slot kijken we naar de vraag of Spinoza, die toch ook lenzenslijper was, zich inderdaad zo afkeerde van de waarneming: is zijn Scientia Intuitiva niet een manier om de wereld te ervaren?
 
 
Wat bedoelt Spinoza met de term rede (ratio)? 

Maarten van Buuren

Spinoza maakt onderscheid tussen goddelijke en menselijke rede.   Goddelijke Rede is de bestaansgrond (ratio essendi) van alle dingen. Goddelijke Rede is levenwekkende rede, dat wil zeggen: oorsprong van alle dingen, samenhang die alle dingen bijeenhoudt en kiemkracht waaruit alle dingen ontstaan. Goddelijke Rede vindt haar uitdrukking in natuurwetten, opgevat als getalsmatige verhoudingen van de delen tot het geheel. 
 Menselijke rede (ratio cognoscendi) behoort in tegenstelling tot de goddelijke Rede tot de verschijningsvormen. Mensen gebruiken hun rede om de affecten te beteugelen. Affecten zijn passies die door de rede tot acties kunnen worden getransformeerd. De mate waarin mensen daarin slagen bepaalt de mate waarin ze zich vrij maken. Vrijheid is vrijheid onder de wet. Menselijke rede stimuleert het eigenbelang en helpt mensen zich te handhaven in het bestaan. Mensen slagen daar beter in naarmate ze zich aaneensluiten tot samenlevingen. God manifesteert zich waar samenlevingen zich verdichten; hij verdwijnt waar samenlevingen zich ontbinden.
 

Spinoza's godsdienstfilosofie tegen de achtergrond van de Verlichting.

Paul Juffermans

Spinoza's denken over religie kent vele aspecten. Enerzijds is daar het aspect van de godsdienstkritiek, waarbij de religie wordt beschouwd als superstitie met kenmerken als onverdraagzaamheid en absolute waarheidsclaims. Hij spreekt dan van ijdele religie. Anderzijds ziet Spinoza in de religie ook waardevolle aspecten, met name als zij aanzet tot een moreel handelen van naastenliefde en gerechtigheid. In dit geval spreekt hij van waarachtige of universele religie. Vervolgens heeft Spinoza ook een eigen opvatting ontwikkeld over de verhouding tussen filosofie en wetenschap aan de ene kant en religie aan de andere kant. Hoe ziet deze opvatting eruit? Men kan Spinoza's beschouwingen over het fenomeen religie veelzijdig en genuanceerd noemen. In hoeverre komen deze beschouwingen overeen met of verschillen zij van die van andere Verlichtingsdenkers? Neemt Spinoza's godsdienstfilosofie een speciale plaats in binnen het gehele palet van denkbeelden over religie in het tijdvak van de Verlichting en zo ja, hoe zou men deze eigen plaats kunnen omschrijven? En wat te denken over Spinoza's filosofie zelf, zoals uiteengezet in de Ethica? Moet men hem karakteriseren als een atheist, een pantheist, een deist of als een goddronken mens, zoals de Duitse romanticus Novalis deed? In onze bijdrage zullen we trachten op al deze vragen in te gaan

 
Een ogenblik geduld... de informatie wordt binnengehaald.