Staatkundig Vertoog Hoofdstuk 9
(Spinoza's Tractatus politicus in de vertaling van Meijer)

HOOFDSTUK IX.
(VAN DE REGENTENHEERSCHAPPIJ BESTAANDE UIT VERSCHILLENDE STEDEN)*
-----

* De volgorde is geschiedkundig. De stedelijke gemeenebesten gaan aan de Vereenigde Steden vooraf, evenals deze aan de Vereenigde Staten.

§ 1. Tot dusver hebben wij een Regentenheerschappij op 't oog gehad, die genoemd wordt naar één stad, die het hoofd is van het geheele Rijk. Thans willen wij het een en ander zeggen over een dergelijke regeerïng, bij meerdere steden berustend, een staatsinrichting welke ik boven de vorige verkies. En om nu het onderscheid tusschen beide en beider waarde te doen uitkomen, zullen we de grondslagen van het hiervoor behandelde rijk stuk voor stuk nagaan; die welke hier niet van pas komen, verwerpen en daarvoor andere in de plaats stellen, waarop een rijk als het hier bedoelde moet gevestigd worden.

§ 2. Alle steden dan die in dit Rijk in de Burgerschapsrechten deelen, moeten zoo gebouwd en versterkt zijn dat elk op zich zelf wel niet zonder de andere kan bestaan, maar daarentegen ook niet zonder groot gevaar voor het rijk van de andere kan afvallen; want op die manier zullen ze altijd vereenigd blijven. Die evenwel in zulk een toestand verkeeren, dat ze noch voor zich zelf kunnen waken, noch ook andere steden vrees kunnen aanjagen, zijn inderdaad niet eigenmachtig* maar volkomen afhankelijk van de overige.
-----

* Sui juris, zelfstandig.

§ 3. Al wat wij in § 9 en 10 van het vorige Hoofdstuk hebben aangetoond, is afgeleid uit de algemeene eigenschappen der Regentenheerschappij: evenals de verhouding van het aantal der Regenten tot het aantal der gewone burgers en welken leeftijd en stand men hebben moet om tot Regent te worden verkozen. - Omtrent deze punten kan er dus geen verschil bestaan, hetzij het gezag in zulk een staatsregeling bij een of meer steden berust. Maar de inrichting van den Volksraad moet hier anders wezen. Want werd de een of andere stad van zulk een Rijk voor den zetel van dezen Raad aangewezen, dan zou die stad inderdaad het hoofd des rijks zijn; en dan zou men of wel bij beurten in de verschillende steden moeten vergaderen, of wel zulk een plaats voor dezen Raad uitkiezen, die geen Burgerschapsrechten heeft, en aan alle tegelijk behoort.* Maar het een zoowel als het ander is even gemakkelijk te bepalen als moeielijk ten uitvoer te brengen, daar toch in zulk een geval telkens ettelijke duizende menschen hun Steden zouden moeten verlaten, en dan hier dan daar weer te zamen komen.
-----

* Den Haag is in de Republiek nooit als stad erkend. Men vond het veiliger voor de Regeering in een vlek zonder muren bijeen te komen. Zoo woonden ook de Fransche vorsten liefst te Versailles.

§ 4. Om nu echter uit liet wezen en de gesteldheid van een dusdanig Rijk naar behooren op te maken wat in dezen behoort te worden gedaan en op welke wijze de regeeringslichamen daarvan moeten worden ingericht bedenke men het volgende: natuurlijk heeft iedere stad zooveel meer gezag dan elk gewoon (ambteloos) burger als zij hem in macht overtreft (§ 4 Hoofdst. II) en diensvolgens komt aan elke stad van dit Rijk (§ 2 van dit Hoofdst.) zooveel rechtsgezag toe binnen haar muren of de grenzen van haar rechtsgebied, als zij kan handhaven. In de tweede plaats moeten alle steden niet als verbondene staten maar als één rijk met elkander vereenigd en verbonden zijn*; in dier voege evenwel, dat iedere stad zooveel meer invloed op de regeering hebbe dan de overige, als zij die in macht overtreft: want wie onder ongelijken gelijkheid zoekt, zoekt naar iets dat ongerijmd is. Burgers worden met recht als gelijken beschouwd, daar ieders macht in het bijzonder, vergeleken met die van het geheele rijk, in het geheel niet in aanmerking komt. Maar de macht van iedere stad maakt een groot deel uit van de macht van het rijk zelf; een deel dat belangrijker is, naarmate de grootte van de stad. Daarom, kunnen de steden niet alle als gelijke beschouwd worden, maar moet ieders recht evenals ieders macht naar haar grootte worden afgemeten. - De banden echter waarmede zij verbonden moeten zijn om te zamen een rijk te vormen, zijn hoofdzakelijk de Regeeringsraad (senatus) en het (Gerechts)Hof (Forum)** (Hoofdst. IV. § 1) Hoe nu echter alle door deze banden te vereenigen zijn, zoodanig dat ieder van haar zooveel mogelijk, eigenmachtig blijve, zal ik hier kortelijks uiteenzetten.
-----

* Geen Statenbond maar een Bondsstaat.
** In onze Republiek waren aan de rechtspraak van het Hof van Holland, Zeeland en West-Vriesland alle steden in sommige gevallen onderworpen. Volgens Huigens was Senatus de naam voor Gecommitteerde Raden.

§ 5. Ik stel mij namelijk voor dat de Regenten van iedere stad, die naar gelang van haar beteekenis meer-of minder in aantal moeten zijn (§ 3 van dit Hoofdst.), over hun eigen stad onbeperkt gebieden en is den Raad die in hun stad de Opperraad is, het volste recht hebben om de stad te versterken, de muren uit te leggen, lasten op te leggen, keuren te maken en af te schaffen, in een woord alles te doen wat voor het behoud en de ontwikkeling der stad door hen noodzakelijk wordt geacht. Maar voor de behandeling der algemeene rijkszaken moet een Regeeringsraad worden gekozen geheel op denzelfden voet als wij in het vorige Hoofdst. aangaven, zoodat tusschen dezen Senaat en den daareven bedoelden geen ander verschil bestaat, dan dat deze ook gemachtigd is geschillen die tusschen steden onderling mochten ontstaan, te beslechten. Want dit laatste kan in ons Rijk, waarvan geen enkele stad het hoofd is, niet evenals bij het vorige door den oppersten Volksraad geschieden (zie § 38 van het vorige Hoofdst.).

§ 6. Overigens moet in dit Rijk de Volksraad nooit worden bijeengeroepen dan indien men het noodig acht de Grondwet van het Rijk te herzien, of wel in eenig hoogst moeielijk geval, waarin de Raadsheeren het niet op zich durven nemen, te beslissen. Zoodoende zal het zeer zelden gebeuren dat alle Regenten ter vergadering worden opgeroepen. De hoofdtaak van den Volksraad is immers (zooals wij in § 17 van het vorige Hoofdst. zeiden), om wetten te maken en af te schaffen, en voorts om Rijksambtenaren te benoemen. Nu behoeven echter de wetten of grondregelen die voor het geheele Rijk gelden, niet zoodra ze zijn ingesteld weer te worden herzien. Indien echter tijd en gelegenheid mede mochten brengen dat men een of anderen nieuwen grondregel moest maken of een bestaanden wijzigen, dan kan men daarover eerst in den Regeeringsraad beraadslagen, en is men het daarover in dien Raad eens geworden, dan kunnen er van zijnentwege gezanten naar de steden worden afgevaardigd, om aan de Regenten van iedere stad het Senaatsbesluit mede te deelen: Indien dan ten slotte de meerderheid der Steden het gevoelen van den Raad blijkt toegedaan, dan kan dit bekrachtigd worden, terwijl het in het andere geval verworpen is. Deze zelfde regel moet gevolgd worden bij het verkiezen van legeroversten, het afvaardigen van gezanten naar andere mogendheden, het verklaren van den oorlog of het aannemen van vredesvoorslagen. Bij het verkiezen van andere rijksdienaren moet echter noodzakelijk een andere regel gevolgd worden, daar, volgens het door ons, in § 4 van dit Hoofst. gezegde, elke stad zooveel mogelijk eigengerechtigd* moet blijven en zooveel meer gezag in het rijk moet uitoefenen als zij machtiger dan de anderen is. Er moeten namelijk door de Regenten van iedere stad senatoren gekozen worden; met dien verstande dat de Regenten van een of andere stad in hun Vergadering zooveel Raadsheeren kiezen uit hunne Mederegenten, dat dezen zich tot het aantal Regenten van die stad verhouden als 1:12 (zie §30 van het vorig Hoofdst.) waarbij ze tevens moeten aanwijzen, welke in de eerste, tweede of derde Afdeeling zitting zullen nemen. Evenzoo moeten de Regenten der overige steden naar gelang van hun aantal meer of minder Raadsheeren kiezen en in zooveel groepen verdeelen, als de Regeeringsraad te verdeelen is (zie § 34 van het vorig Hoofdst.), tengevolge waarvan in elke Afdeeling van den Raad meer of minder Raadsheeren van een of andere stad zullen gevonden worden, naar gelang die grooter of kleiner is. De voorzitters der Afdeelingen en hun plaatsvervangers evenwel, wier aantal kleiner is dan het aantal steden, moeten door den Regeeringsraad bij loting gekozen worden uit de benoemde Staatshoofden.
Bij het verkiezen der hoogste rechtspersonen moet ook dezelfde regel gevolgd worden, dat namelijk de Regenten uit iedere stad naar gelang van hun getalsterkte meer of minder Rechters kiezen uit hun standgenooten. Dusdoende zal iedere stad, zooveel mogelijk vrij zijn in de keuze der rijksdienaren, en naar gelang van haar macht meer invloed hebben in de Regeering zoowel als in het Hof; hierbij uitgaande van de onderstelling dat de Regeeringsraad en het Hof dezelfde regelen volgen bij het behandelen der Rijkszaken en het beslechten van geschillen, als wij beschreven hebben, in § 33 en 34 van het voorgaande Hoofdstuk.
-----

* Sui juris.

§ 7. Verder moeten ook de Veldoversten en de Kolonellen en Ritmeesters* uit de Regenten gekozen worden. Want aangezien het billijk is, dat aan iedere stad de verplichting wordt opgelegd, naar gelang van zijn grootte een zeker aantal soldeniers op de been te brengen ter bescherming van het geheele Rijk, is het ook billijk dat uit de Regenten van iedere stad naar gelang van het aantal troepen** die zij moeten onderhouden een zeker aantal Kolonels, hoplieden en vaandrigs*** gekozen worden mag, als noodig is om dat gedeelte van het leger dat door hen aan het Rijk wordt verstrekt, behoorlijk onder tucht te houden.
-----

* Glasemaker vertaalt hier Militiae Tribuni door "Kolonellen en Ritmeesters," waaruit is op te maken dat dezen gelijk in rang waren.
** legiones.
*** Deze drie vakwoorden heb ik ontleend aan Glasemaker voor: tribuni, duces et signiferi.

§ 8. Door den Regeeringsraad moeten geen belastingen aan de ingezetenen worden opgelegd; ter bestrijding van uitgaven, die noodig zijn tot uitvoering van bij Senaatsbesluit vastgestelde werken moeten niet de ingezetenen, maar de steden zelve door den Regeeringsraad worden aangesproken, zoodat iedere stad naar gelang van zijn grootte een grooter of kleiner deel der kosten heeft te dragen; welk deel de Regenten van elke stad van hunne Stadgenooten mogen invorderen op welke wijze het hun goeddunkt, hetzij door ze naar hun vermogen te belasten, hetzij door ze wat veel billijker is tollen en pachten* op te leggen.
------

* Vectigalia in het begin van deze § met algemeene beteekenis van belastingen, is hier op 't einde meer in 't bijzonder: tollen en pachten; zooals Glasemaker vertaalt.

§ 9. En al mochten ook alle steden van het rijk geen havensteden zijn, al worden ook de Raadsheeren niet alleen uit de zeesteden verkozen, toch kunnen dezen dezelfde inkomsten worden toegewezen als in § 31 van het vorig Hoofdst. is bepaald. Te dien einde kunnen er overeenkomstig de staatsregeling middelen worden bedacht om de steden nauwer met elkander te verbinden.
Overigens is alles wat den Regeeringsraad, het Hof en het rijk in zijn geheel betreft, en door mij in 't voorgaande Hoofdstuk behandeld is, ook op dezen Staat toepasselijk. Wij zien dus dat het in een rijk dat uit meerdere steden bestaat, niet noodig is voor het bijeenroepen der Groote Vergadering van den Volksraad, een bepaalden tijd of plaats te bepalen. De Regeeringsraad en het Hof moeten zetelen in .een vlek* of in een stad die in den Volksraad niet vertegenwoordigd is. Doch laten we thans terugkeeren tot datgene wat de steden ieder op zichzelf betreft.
------

* Zooals 's Gravenhage was.

§ 10. De orde die de Volksraad in elke stad moet volgen bij de verkiezing van stads- en staatsambtenaren en bij het nemen van besluiten, moet dezelfde zijn die ik in § 27 en 36 van het vorige Hoofdst. heb aangegeven. Want daar zoowel als hier gelden dezelfde redenen.
Voorts moet er een Raad van State (of een Collegie van Wethouders) aan dezen Raad worden toegevoegd, die zich verhoudt tot den Stadsraad als de Raad van State van het vorig Hoofdstuk tot den Rijksraad, terwijl ook diens bevoegdheid binnen de grenzen van het Stadsrecht met die des anderen gelijk staat en de leden daarvan in het genot van dezelfde inkomsten zijn. Indien echter de stad en dus ook het getal der Regenten zoo klein mocht zijn, dat men niet meer dan een of twee Staatsraden kan kiezen, die met hun beiden geen Raad kunnen uitmaken, dan moeten er bij eenig in te stellen onderzoek naar gelang van zaken door den Oppersten Stadsraad eenige rechters aan de Staatsraden worden toegevoegd of wel de zaak verwezen worden naar den Hoogen Raad van State. Want uit elke stad moeten ook eenige Staatsraden gezonden worden naar de plaats waar de Regeering zetelt, om toe te zien dat de Rijkswetten ongeschonden bewaard worden, welke Staatsraden in den Senaat zitting moeten hebben zonder recht van stemmen.

§ 11. Ook moeten door de Regenten van elke stad Burgemeesters* worden aangesteld, die als 't ware den Regeeringsraad van zulk een stad uitmaken. Hun aantal -kan ik niet bepalen maar dat is m.i. ook onnoodig, daar de stedelijke aangelegenheden van eenig gewicht door den Stads-Opperraad en die op het geheele Rijk betrekking hebben door den grooten Regeeringsraad behandeld worden. Is hun aantal echter gering dan zal het noodig zijn dat ze in hun bijeenkomsten openlijk stemmen, en niet met steentjes zooals, in de groote Vergaderingen. Want in kleine vergaderingen waar men in 't geheim stemt, kan hij die een weinig geslepen is, gemakkelijk de stem van elkeen te weten komen, en minder snuggeren op allerlei wijzen om den tuin leiden.
-----

* Hier kon het woord Consul door Burgemeester vertaald worden, evenals in de vorige § de Raad van State door Collegie van Wethouders.

§ 12. Bovendien moeten in elke stad door den Stadsraad rechters verkozen worden, van wier vonnis men zich echter op liet hoogste Rijksgericht beroepen mag, behalve als de schuld van den beklaagde openlijk gebleken is en de schuldenaar bekent. Hierop behoef ik evenwel niet verder in te gaan.

§ 13. Dus rest ons nog alleen te spreken over steden die geen eigen recht hebben. Zijn deze in hetzelfde gewest of dezelfde hemeelstreek gelegen als het rijk, en behooren hun inwoners tot denzelfden landaard of spreken ze dezelfde taal, dan moeten ze evenals de dorpen beschouwd, worden als deelen der naburige steden, zoodat ieder van haar komt te staan onder het gebied van deze of gene stad, die eigen rechten heeft. De reden hiervan is dat alle Regenten niet door den Grooten Volksraad maar door den Raad van iedere stad gekozen worden,, en hun kleiner of grooter aantal afhangt van het aantal ingezetenen die zich binnen de palen* van het Gerecht dezer Stede bevinden (zie § 5 van dit Hoofdst.) Daarom ligt het voor de hand dat het volk van een stad die geen eigen rechten heeft, wordt gerekend te behooren tot een andere bevolking die wel stedelijke rechten heeft en onder haar beheer wordt gebracht. Steden echter die in oorlogstijd veroverd en bij het Rijk zijn ingelijfd, moeten als bondgenooten beschouwd en door lijfsbehoud aan het Rijk verbonden worden; of men moet er volksplantingen heen zenden die dan in het genot van burgerschapsrechten treden, en de oorspronkelijke bewoners wegvoeren of uitroeien.**
-----

* Deze palen heetten "banpalen" en waren in Amsterdam zeer sierlijk uitgevoerd. Er staat nog een aan den Amstel bij Ouderkerk.
** Dit was de gewoonte der oude Hebreeën in Palestina, der Hollanders op Java en der Engelschen in Egypte.

§ 14. Hiermede heb ik de grondslagen van dezen regeeringsvorm afgehandeld. Dat zijn toestand gunstiger moet zijn dan die van een rijk dat van een enkele stad afhankelijk is, leid ik af uit de volgende overweging: vooreerst zullen toch de Regenten van iedere stad, door menschelijke begeerte gedreven, alles in het werk stellen hun gezag in de stad zoowel als in de Regeering te handhaven en zoo mogelijk uit te breiden; daarom zullen ze zooveel mogelijk trachten het volk aan zich te verbinden, terwille daarvan het rijk veeleer aanhoudend bevoordeelen dan daarin onrust verwekken, en hun aantal pogen te vermeerderen. Immers hoe meer burgers er zijn, des te meer Raadsheeren mogen ze-kiezen uit hunnen raad (volgens § 6 van dit Hoofdst.); en zullen dien ten gevolge, volgens dezelfde §, meer invloed in de regeering verkrijgen.
Dat er nu onder de steden nog al eens tweedracht zal heerschen, en zij hun tijd met krakeelen zullen doorbrengen, dewijl iedere stad op zijn eigen voordeel bedacht en op de overige afgunstig is, is geen overwegend bezwaar. Want al gaat ook somtijds Sagunthe verloren, terwijl men te Rome beraadslaagt; zoo gaat aan den anderen kant de vrijheid verloren en het algemeen welzijn te niet, indien slechts enkele personen alles regelen naar hun eigen zin. De menschelijke hersens zijn veel te bot om alles dadelijk goed in te zien; maar door elkander te raadplegen, naar elkander te luisteren en met elkander te overleggen wordt het inzicht verscherpt, en na allerlei maatregelen overwogen te hebben vindt men eindelijk wat men wil, wat door allen wordt goedgekeurd en waaraan niemand te voren had gedacht.*
Indien nu iemand mij zou willen tegenwerpen dat dit rijk der Hollanders niet lang zonder een Graaf of Stadhouder die 's Graven plaatsvervanger was, in wezen is gebleven**; dan antwoord ik dat de Hollanders om hun vrijheid te verzekeren genoeg meenden gedaan te hebben, met den Graaf af te zweren en dus aan het lichaam der regeering het hoofd af te slaan; dat ze er evenwel niet over dachten het rijk te hervormen, maar alle leden daarvan lieten zooals ze te voren waren samengesteld, zoodat men het graafschap Holland zonder Graaf, als een lichaam zonder hoofd overhield en een rijk waaraan men geen naam kon geven. Het is daarom dan ook geenszins te verwonderen dat de meeste ingezetenen, niet wisten bij wien de hoogste macht in den Staat berustte. En al was dit niet het geval geweest, dan nog waren zij die inderdaad de teugels van het bewindvoerden, veel te gering in aantal om het volk te regeeren en hun machtige tegenstanders in bedwang te houden***. Van daar dat dezen hen dikwerf straffeloos, konden belagen en eindelijk uit den zadel konden lichten. Zoodoende is de plotselinge ondergang van deze Republiek**** niet daaraan te wijten dat men nutteloos, den tijd met beraadslagen verspilde, maar wel aan den ongeregelden toestand van het Rijk en het geringe aantal Regenten*****.
-----

* In de Holl. vertaling staat hierbij: daaraf wij in Holland veel voorbeelden gezien hebben. De volgende zin maakt het zeer waarschijnlijk dat dit in de Latijnsche uitgaven vergeten is.
** Men bedenke dat Spinoza, met de tweede Regentenheerschappij het oog op de Hollanders had (zie VIII 3), en dat de Loevenstijnsche partij in 1675 meende dat de vrijheid verloren was. Zie ook Hoofdst. 18 van het Godg. Staatk. Vertoog.
*** Dit ziet op de Oranjepartij.
**** in 1672.
***** "Regentium" Ook hier blijkt duidelijk dat Spinoza het woord Regenten bedoelde. Glasemaker zegt hier: Bestierders.

§ 15. Bovendien is zulk een Regentenrijk, in handen van vele steden, te verkiezen boven den anderen regeeringsvorm, wijl men niet als bij den eerstgenoemden bevreesd behoeft te zijn dat zijn geheele Volks-raad door een onverhoedschen aanval overrompeld wordt*, aangezien (volgens § 9 van dit Hst.) geen bepaalde plaats of tijd voor de bijeenroeping daarvan wordt vastgesteld. Ook behoeft men in zulk een rijk minder vrees te koesteren voor overmachtige burgers. Want waar meerdere steden zich in onafhankelijkheid verheugen, kan hij die naar de oppermacht streeft niet volstaan met één stad in bezit te nemen, om daarmede tegelijkertijd de andere in zijn macht te krijgen.
En eindelijk worden in zulk een rijk meerdere der vrijheid deelachtig, want waar slechts een stad regeert, wordt alleen in zoover aan het belang der overige gedacht als dit tevens der regeerende stad te stade komt.
------

* Dit doelt zeker op den aanval van Willem II op Amsterdam.