Staatkundig Vertoog Hoofdstuk 8
(Spinoza's Tractatus politicus in de vertaling van Meijer)

HOOFDSTUK VIII.
(VAN DE REGENTENHEERSCHAPPIJ.)

Dat een Regeering der Aanzienlijkste burgers uit een groot aantal Regenten* moet bestaan; - over haar voortreffelijkheid; - en dat deze regeering nader bij de volmaakte staat dan de Eenhoofdige en om die reden ook meer waarborgen geeft voor het behoud der vrijheid.
-----

* Partricii = Beschreven vaderen = Oud-Burgers = Keurraden (Glasemaker) = Regenten. Aristocratia of Imperium Aristocraticum: Regeering der Aanzienlijkste burgers, veelhoofdig bewind, Regentenregeering.

§ 1. Tot dusver spraken wij over de Eenhoofdige Regeering. Thans zullen wij eens nagaan hoe een regeering der Aanzienlijkste burgers moet worden ingericht, om stand te kunnen houden.
Een regeering der voornaamste burgers (Aristocraticum Imperium) is, zooals wij zeiden*, een regeering waar niet één man, maar enkele, uit het volk Uitverkorenen de hoogste macht in handen hebben. Deze Uitverkorenen zullen wij in het vervolg Regenten (Patricii) noemen**. Met opzet zeg ik, "sommige Uitverkorenen," want hierin bestaat het voornaamste onderscheid tusschen dezen regeeringsvorm en het Volksbewind, dat namelijk in een Regentenregeering het recht om te regeeren alleen van keuze afhangt; in een Volksregeering daarentegen hoofdzakelijk van een of ander aangeboren of bij toeval verkregen recht, zooals later zal worden aangetoond***; in dier voege dat, al werd ook in een of ander Rijk het geheele volk als regeeringspersoon (Regent) erkend: indien dit recht slechts niet erfelijk was noch door een voor allen geldende wet op anderen**** overging, zulk een regeering toch in alle opzichten een Regentenregeering zou zijn, aangezien geen andere personen onder de Regenten worden opgenomen dan die daartoe opzettelijk gekozen zijn. Zijn er nu echter slechts twee personen aangewezen, dan zal den een den ander trachten te overvleugelen, en daar ieder van hen een aanzienlijke macht bezit, zal het rijk lichtelijk in twee partijen verdeeld worden en in drie vier of vijf, indien drie vier of vijf personen de macht in handen hebben, terwijl daarentegen de partijen des te zwakker zullen zijn naarmate het gezag aan meerderen is opgedragen; waaruit volgt dat men in elke Regenten-regeering, met het oog op de veiligheid van den Staat, bij het bepalen van het aantal Regenten noodzakelijk, rekening moet houden met de grootte van het Rijk.
-----

* Hoofdst. II. § 17.
** Wat hier volgt tot (.gekozen zijn" is door Glasemaker niet vertaald.
*** Zie Hoofdst. XI.
**** b.v. op uitlanders.

§ 2. Stel nu dat het voor een rijk van middelbare grootte voldoende is, dat er honderd vroede mannen zijn aan wien het hoogste Rijksgezag (Imperii potestas) is opgedragen, en aan wien dus het recht toekomt (nieuwe) Mederegenten (Collegae Patricii) te kiezen* wanneer een hunner overleden is. Natuurlijk zullen dezen op allerlei wijzen trachten hun kinderen of naaste verwanten hen te doen opvolgen: en dientengevolge zal de hoogste staatsmacht altijd blijven in handen van hen die bij toeval kinderen of bloedverwanten der Regenten zijn. En daar er onder de honderd menschen die bij geluk tot hooge eereposten opklimmen, ternauwernood drie gevonden worden die uitmunten en zich onderscheiden door schranderheid en beleid, zal de uitkomst zijn dat het rijksgezag niet bij honderd, maar slechts bij twee of drie personen berust, die door geestkracht uitblinken en gemakkelijk alles aan zich kunnen trekken, terwijl ieder van hen door de algemeen menschelijke begeerlijkheid gedreven, zich een weg zal kunnen banen tot de Alleenheerschappij. Indien we dus goed rekenen, dan zal men in een Staat die in verhouding tot zijn omvang honderd Overheidspersonen óp zijn minst vereischt, het gezag aan vijfduizend Regenten: op zijn minst moeten opdragen. Op deze wijze toch zal het nooit missen, dat men (onder hen) honderd door geestkracht uitmuntende mannen vindt, aangenomen althans dat er onder vijftig menschen die naar eereposten dingen en die (bij geluk?) verkrijgen, altijd een gevonden wordt die zich met de besten kan meten, terwijl anderen hun best zullen doen de deugden der besten nabij te komen en daarom ook waardig zijn om te regeeren.**
-----

* Dit werd vroeger coöptatie genoemd.
** Deze vertaling is eenigszins vrij; men vergelijke den tekst. Het is Spinoza hier om de 'aristoi', of besten te doen.

(OVER DE REGEERING VAN ÉÉN HOOFDSTAD).

§ 3. In den regel zijn de Regenten, de burgers van ééne stad, die het hoofd is van het geheele Rijk, zoodat dan ook zulk een Staat of Gemeenebest naar die stad genoemd wordt, zooals vroeger het Romeinsche en heden ten dage het Venetiaansche, Genueesche enz. Het Gemeenebest der Hollanders* echter noemt zich naar een geheel Gewest**, wat ten gevolge heeft dat de onderdanen van dit Rijk een grootere mate van vrijheid genieten.
Voor wij nu echter de grondslagen waarop zulk een Regentenregeering rusten moet, nader kunnen omschrijven, willen wij eerst de aandacht vestigen op het onderscheid tusschen een regeering die aan een persoon en een andere die aan een behoorlijk uitgebreiden Raad (Concilium) is opgedragen; een onderscheid dat inderdaad zeer groot is. Want ten eerste is de macht van één mensch verre van toereikend om een geheel rijk te torschen (zooals we in § 5 van Hoofdst, VI hebben gezegd), iets wat nooit van een behoorlijk uitgebreide Vergadering kan worden gezegd zonder dat men zich zelf tegenspreekt, daar ieder die zegt dat een Vergadering groot genoeg is, daarmede tegelijk ontkent dat ze niet in staat is het bewind te voeren. Een koning heeft dus onvermijdelijk Raadslieden noodig; een Raad als bovengenoemd geenszins. Voorts zijn Koningen sterfelijk, Regeeringslichamen daarentegen eeuwigdurend; en zoodoende komt het Rijksgezag, als het eenmaal in handen van een behoorlijk groote Vergadering is gesteld, nooit weer bij het volk terug; wat bij het Eenhoofdig gezag niet het geval is, zooals door ons in § 25 van het vorig Hst. is aangetoond. Ten derde is het bewind van een Vorst, wegens diens jeugdigen leeftijd, ziekte, ouderdom of andere redenen, dikwerf aan de genade van anderen overgeleverd, terwijl het gezag van bovenbedoelden Raad daarentegen altijd een en hetzelfde blijft. Ten vierde is de wil van één man zeer veranderlijk en onbestendig, om welke reden dan ook in een Alleenheerschappij alle recht wel altijd 's Konings verklaarde wil, maar niet altijd 's Konings wil ook wet moet zijn; (zooals wij in § 1 van het vorig Hst. zeiden). Van den wil van een behoorlijk groot Regeeringslichaam (Concilium) kan dit niet worden gezegd, want nademaal zulk een Raad (als boven is aangetoond) geen Raadslieden noodig heeft, moet ook onvermijdelijk al hij wat uitdrukkelijk als zijn wil verklaart, wet zijn.
Diensvolgens komen wij tot het besluit dat een regeering die aan een Raad van een voldoend aantal leden is opgedragen, volkomen is of althans de volmaakte regeering het meest nabij komt; daar toch de eenige regeering die werkelijk volmaakt mag heeten, die is, waar de oppermacht in handen van het geheele volk berust.***
-----

* Men ziet hieruit hoe de Staatseenheid der Hollanders voor Spinoza in de Provincie bestond.
** "Gewest" is het historisch woord voor "Provincie"
*** Een volmaakte regeering is die waar geen verzet denkbaar is; zulk eene is de volksregeering, in het afgetrokkene beschouwd.

§ 4. Voorzoover echter dit Bewind der voornaamste burgers, - zooals straks bewezen is - nooit weer tot het volk terugkeert; het volk daarbij volstrekt niet geraadpleegd wordt, maar elk besluit van bovengenoemden Raad onherroepelijk wet is; is het alleszins als onbeperkt te beschouwen: weshalve zijn grondslagen geheel en alleen moeten steunen op den wil en het beleid van dien Raad en niet op de bedachtzaamheid van het volk, aangezien dit zoowel van de beraadslagingen als van het stemmen is uitgesloten. De eenige reden waarom deze regeeringvorm in werkelijkheid toch niet onbeperkt is, kan dan ook niet anders zijn dan dat het volk aan hen die regeeren altijd eenige vrees inboezemt, waardoor dit steeds eenige vrijheid blijft houden die het, al is zij ook niet in een wet uitgedrukt, zich toch stilzwijgend voorbehoudt en handhaaft.

§ 5. Er blijkt ons dus dat de toestand van zulk een Rijk dan het best zal zijn, indien het zoodanig is ingericht dat het zooveel mogelijk de onbeperkte heerschappij nabijkomt, d. i. een heerschappij waarin de menigte zoo min mogelijk behoeft te worden ontzien en geen enkele vrijheid erlangt dan die men haar volgens .de Grondwet des Rijks* noodzakelijk moet gunnen en dus niet zoo zeer als een recht van het volk als wel van het geheele Rijk te beschouwen is, dat alleen door de Aanzienlijken als ware het hun eigen recht gehandhaafd en beschermd wordt. Op die wijze toch zal de werkelijkheid met de leer volkomen in overeenstemming zijn, zooals blijkt uit de voorgaande § en overigens van zelf spreekt. Want het is buiten kijf, dat de Regenten des te minder gezag hebben hoe meer rechten het volk zich voorbehoudt, zooals die welke in Neder-Duitschland, de werkliedenvereenigingen, die men Gilden noemt, vaak plegen te bezitten**).
-----

* Constitutio Imperii; hier is door Spinoza zelf het woord Grondwet genoemd. In de Hansesteden en België hadden de gilden vaak grooten invloed op de regeering die daardoor verzwakt werd.
** Zie de noot op de vorige bladzijde.

§ 6. Gevaar voor knellende onderdrukking ten gevolge van de onbeperkte volmacht aan den Raad gegeven, is volstrekt niet voor het volk te duchten. Want de wil van zulk een groot lichaam kan niet door willekeur, maar moet door de Rede geleid worden, daar menschen die door booze hartstochten geleid worden steeds oneenig zijn, en nooit tot eensgezindheid kunnen komen, dan voorzoover zij beoogen wat betamelijk is of althans den schijn van betamelijkheid heeft.

§ 7. Bij het vaststellen der grondslagen van een regeering van aanzienlijke burgers moet men dus vooral zorgen dat die grondslagen alleen rusten op den wil en de macht van genoemden oppersten raad: in dier voege dat die Raad zoo onafhankelijk mogelijk is en geen gevaar van de menigte hebbe te duchten. Ten einde nu die grondslagen, welke, zooals gezegd, alleen op den wil en de macht van den grooten Raad moeten gevestigd zijn, vast te stellen, moeten wij eerst nagaan welke waarborgen voor rust en veiligheid eigen aan het Eenhoofdig bewind, in dezen niet zijn toe te passen. Want vervangen wij deze door andere even afdoende regelen, meer overeenkomende met den aard van dezen Regeeringsvorm en laten wij de overige zooals zij zijn dan zullen natuurlijk alle redenen tot oproer zijn weggenomen, en dit bewind althans niet minder veilig zijn dan het Eenhoofdige; ja zelfs zal het des te veiliger zijn en zijn toestand des te beter, naarmate het meer dan het Eenhoofdige gezag zonder gevaar voor rust en vrijheid (zie § 3 en 6 van dit Hst.) het onbeperkte gezag naderbijkomt; want hoe grooter het gezag der overheid is, des te meer strookt de staatsvorm met de eischen der Rede (volgens § 5 van Hst. III), en des te geschikter is hij dus om orde en vrijheid te handhaven.
Laten we derhalve nagaan wat wij in Hst. VI van af § 9 hebben gezegd, om te verwerpen wat hier niet van pas is, en te zien wat hiermede in overeenstemming te brengen is.

§ 8. Dat het in de eerste plaats noodig is, een of meer steden te stichten en te versterken zal door niemand betwijfeld worden. Vooral moet die stad versterkt worden die het hoofd is van het geheele Rijk en bovendien die welke op de grenzen gelegen zijn*, want de stad die aan het hoofd staat van het geheele rijk en het oppergezag heeft, moet ook sterker zijn dan alle andere. Overigens is het in dit rijk volstrekt overbodig alle ingezetenen in wijken (familias) te verdeelen.
------

* Op grensvestingen was onze Republiek bizonder gesteld.

§ 9. Ten opzichte van den krijgsdienst geldt het volgende: daar er in deze Staatsinrichting niet tusschen allen maar slechts tusschen Regenten naar gelijkheid gestreefd moet worden, en vooral daar de macht der Regenten zooveel grooter is dan die van het volk, staat het vast, dat het niet tot de levensvoorwaarden of grondregelen van zulk een Staat behoort, om het leger enkel uit ingezetenen te vormen.*
Een eerste vereischte is echter dit, dat onder de Regenten niemand wordt opgenomen dan die den krijgsdienst in den grond verstaat. Om echter zooals sommigen willen, de Ingezetenen geheel van den krijgsdienst uit te sluiten, is inderdaad onzinnig. Want behalve dat de soldij aan de ingezetenen uitgereikt, in het rijk zelf blijft, terwijl alles wat aan vreemde krijgsknechten wordt uitbetaald, geheel teloor gaat; wordt daardoor bovendien de grootste kracht aan het rijk ontnomen, daar het zeker is, dat zij die voor huis en hof strijden, dit met buitengewone geestdrift doen. Tevens blijkt hier, dat het niet minder verkeerd is te meenen dat alle veldoversten, legerhoofden (Kolonellen, zegt Glasemaker) en hoplieden (Hoofdmannen, zegt Glasemaker), alleen uit Regenten gekozen moeten worden. Want welke dapperheid kan men verwachten van soldaten, wien alle uitzicht op roem en eer benomen is. Om daarentegen een wet te maken waarbij het den Regenten verboden wordt uitheemsche troepen te huren, wanneer de omstandigheden dit vereischen, hetzij tot hun eigen verdediging en het onderdrukken van oproerige bewegingen, hetzij om redenen van anderen aard, zou behalve dat het onverstandig is, ook strijden met het oppergezag der regenten, waarover men § 3, 4 en 5 van dit Hoofdstuk raadplege. Overigens moet men alleen in oorlogstijd en uit de Regenten alleen een bevelhebber over een legerafdeeling of over de geheele krijgsmacht kiezen, die op zijn langst gedurende een jaar het opperbevel mag voeren en niet in zijn ambt bestendigd, noch later weer gekozen mag worden; - een bepaling die zoowel in een koningrijk als wel voornamelijk hier van het hoogste gewicht is. Want hoewel, als boven gezegd is, het bewind veel gemakkelijker van een man op een ander, dan van een Volksraad op één man kan overgaan; zoo gebeurt het toch niet zelden dat de Regenten door hun eigen legerhoofden worden afgezet, wat nog veel grooter ramp voor het Gemeenebest is. Immers wanneer een alleenheerscher uit den weg wordt geruimd, heeft er geen verandering van regeering plaats, maar alleen een verwisseling van Opperhoofd; doch in een Regentenheerschappij kan dit niet gebeuren zonder een staatsomwenteling en den ondergang der meest aanzienlijke burgers**, waarvan Rome ons de meest noodlottige voorbeelden kan toonen.
De reden waarom in een Koningrijk, naar onze meening, alle krijgslieden zonder loon moeten dienen, geldt in de hier bedoelde staatsinrichting niet. Want daar de nderdanen zoowel van de beraadslagingen als van de stemmingen zijn uitgesloten, moet men ze geheel als vreemdelingen beschouwen en behooren ze dan ook op even billijke voorwaarden als de vreemdelingen voor den krijgsdienst te worden afgehuurd. Hier bestaat ook geen gevaar dat ze door den Volksraad boven anderen worden voorgetrokken. Zelfs is het beter dat de Regenten aan de soldaten een vast loon voor hun diensten toekennen, opdat niet een ieder zich zooals het meestal gaat, te veel op zijn daden late voorstaan.
-----

* Hier heb ik "nullis aliis" gelezen om het verband met Hst. VI § 10 en ook met het oog op het volgende.
** Zooals plaats had bij het optreden van Willem III, toen overal de wet verzet werd en de Oude Regenten voor goed werden uitgesloten.

§ 10. Om dezelfde reden, namelijk dat alle ingezetenen, behalve de Regenten vreemdelingen zijn, gaat het niet aan zonder gevaar voor het Rijk de akkers, de huizen en al den grond in het bezit der gemeenschap te laten, en jaarlijks aan de ingezetenen te verhuren. Want onderdanen die geen deel aan de regeering hebben, zouden in tijden van tegenspoed zeer licht hun steden verlaten, indien ze hun bezittingen konden brengen waar ze wilden. Daarom moeten de akkers en de hoeven van een dusdanig rijk niet verhuurd worden maar verkocht, op die voorwaarde echter, dat ze jaarlijks uit de opbrengst een zeker quotum betalen enz., zooals dat in Holland geschiedt.

§ 11. Na deze overwegingen ga ik over tot de grondregelen waarop de Opperste Volksraad* steunen moet en gevestigd worden. In § 2 van dit Hoofdstuk zagen wij dat zulk een Raad in een middelmatig rijk uit ongeveer 5000 leden moet bestaan; men zal dus een middel te zoeken hebben om te zorgen dat het gezag niet langzamerhand in handen kome van een geringer aantal personen, maar dat, naarmate het rijk zich uitbreidt, ook hun aantal toeneme; voorts dat onder de Regenten zooveel mogelijk de gelijkheid worde bewaard; dat bovendien in vergaderingen de afdoening van zaken bespoedigd worde; dat er voor het algemeen welzijn gezorgd worde: en eindelijk dat de macht der Regenten of van den Volksraad grooter zij dan die der burgers; in dier voege echter dat het volk daarvan geen nadeel ondervindt.
-----

* "Volksraad" heb ik gekozen voor Concilium Supremum, omdat Hooge Raad bij ons een rechterlijk lichaam is, en Rijksraad wat al te grootscheeps klinkt voor de staatkundige verhoudingen der 17de eeuw.

§ 12. Tegen het bereiken van het eerste doel bestaat echter een groot bezwaar en dat is de afgunst.
Want, zooals gezegd, zijn de menschen van nature elkaar vijandig gezind, en al worden ze nu ook door wetten aan elkander gehecht en verbonden, toch blijft hun aard onveranderd. En hieruit laat het zich m.i. dan ook verklaren dat een Volksregeering in een Regentenheerschappij en deze ten slotte in een Koningschap, overgaat*, Vast namelijk ben ik overtuigd dat de Regentenheerschappijen oorspronkelijk Volksregeeringen zijn geweest; en wel in dier voege dat een zeker aantal menschen, een nieuwe woonplaats zoekende, na die gevonden en bebouwd te hebben, een ieders recht op de regeering (aanvankelijk) onaangetast liet, aangezien niemand vrijwillig zijn gezag aan een ander afstaat. Maar hoe billijk ieder het ook moge vinden tegenover elkander gelijke rechten te hebben, toch acht men het onbillijk, dat vreemdelingen die tot hen overkomen gelijke rechten krijgen op een gebied dat zij zich met moeite hadden uitgezocht en ten koste van hun bloed hadden veroverd. Die vreemdelingen zelven hebben daarentegen ook niets in te brengen, daar ze immers niet om te heerschen, maar om hun eigen zaken te drijven derwaarts gekomen zijn, en meenen dat zij ruimschoots tevreden kunnen wezen indien hun slechts de vrijheid wordt gegund om rustig hun zaken te doen. Ondertusschen neemt echter door dien toevloed van vreemdelingen het volk voortdurend in aantal toe en dezen nemen langzaam aan de zeden van het volk over, totdat er eindelijk in geen enkel opzicht eenig onderscheid meer tusschen hen bestaat dan alleen hierin dat zij geen recht hebben om eereposten te verkijgen. En terwijl nu het aantal van laatstgenoemden dagelijks aangroeit, gaat dat der burgers om verschillende redenen achteruit.
Vaak immers sterven er geslachten uit, terwijl anderen wegens misdrijven verbannen worden en zeer velen zich niet bekommeren om het Gemeenebest wegens den benarden toestand hunner eigen bestaansmiddelen. Intusschen wenschen de vermogenden onder hen niets liever dan alleen te regeeren, en zoo wordt langzamerhand het gezag tot weinigen en eindelijk uit partijbelang tot een enkelen beperkt**. Hierbij zouden we nog andere redenen kunnen opgeven welke den ondergang van de hier bedoelde rijken tengevolge hebben, doch dewijl deze genoeg bekend zijn, weid ik daarover niet verder uit en zal nu in geregelde volgorde doen zien, welke de wetten zijn waardoor een staatsinrichting, als die waarvan wij hier spreken, in stand te houden is.
-----

* Dat dit de algemeene gang van zaken is bewijst de geschiedenis der Joden en der Hollanders. Het Volk was oppermachtig in de woestijn, leefde later onder Richteren en eindelijk onder koningen. Nederland verzette zich als volk tegen Philips, leefde toen onder de regenten en nu onder een Koning.
** Dit is het natuurlijk beloop van zaken; zoo ging het bij ons ten tijde van de Witt.

§ 13. De voornaamste Wet van zulk een Staat moet die zijn, waarbij de verhouding van het getal der Regenten tot het gemeen (volk) wordt bepaald. Want volgens § 1 van dit Hst., moet er tusschen deze beide een vaste verhouding gehandhaafd blijven, zoodat naar gelang van de toename der bevolking ook het aantal der tot regeeren bevoegde burgers (Patriciërs) grooter wordt. Deze verhouding nu moet (met het oog op hetgeen in § 2 van dit Hst. is gezegd)* ongeveer overeenkomen met die van een tot vijftig d.w.z. dat het aantal der Regenten nooit meer van dat der menigte mag verschillen. Want volgens § 1 van dit Hoofdstuk kan zonder eenig nadeel voor dezen regeeringsvorm het getal der Regenten (naar verhouding) gerust veel grooter zijn dan van het volk, maar bestaat er alleen gevaar dat hun aantal te gering wordt.
Op welke wijze nu gezorgd moet worden dat deze wet ongeschonden gehandhaafd blijve, zal ik weldra zoodra de gelegenheid zich voordoet uiteenzetten.
------

* Spinoza laat hier de regel van § 2 als wet gelden, ook voor de verhouding tusschen regenten en burgers.

§ 14. Alle regeeringsbevoegde personen (Regenten, Patriciërs) worden slechts uit enkele familiën op bepaalde plaatsen gekozen.
Het is echter uiterst verkeerd dit in een wet uitdrukkelijk voor te schrijven. Want behalve dat zulke familiën vaak uitsterven en men de overige niet kan uitsluiten zonder hen daardoor te beleedigen, is het bovendien met dezen regeeringsvorm in strijd dat de regenten-waardigheid erfelijk is. (Zie § 1 van dit Hst.) Op die wijze zou de regeering veel meer gaan gelijken op een volksregeering, als wij in § 12 van dit Hst. beschreven, een volksregeering namelijk waar slechts zeer weinig oud-burgers regeeren. Aan den anderen kant is het echter onmogelijk ja onzinnig te willen voorkomen, dat de Regenten hun zonen en bloedverwanten in de regeering kiezen en dientengevolge het recht om te regeeren tot enkele familiën beperkt blijft, zooals ik in. § 39 van dit Hst. zal aantoonen.
Indien dit recht hun evenwel maar niet uitdrukkelijk bij de wet wordt toegekend en geen der andere burgers (en hiermee bedoelen wij allen die in het Rijk geboren zijn, de landstaal spreken, geen buitenlandsche vrouw tot echtgenoot hebben*, niet eerloos of dienstbaar zijn, noch ook in eenige ondergeschikte betrekking hun brood verdienen; onder welken ook de Wijn- en Bier-huishouders gerangschikt moeten worden) zoodoende wordt uitgesloten, zal desalniettemin de regeeringsvorm onaangetast blijven, en de verhouding tusschen de regeeringspersonen en het gemeen** altijd bewaard kunnen worden.
------

* waardoor in onze Republiek, alle Stadhouders b.v. uitgesloten zouden geweest zijn, en in het Joodsche rijk de meeste koningen.
** In 't Oud-Hollandsch gelijk "het volk."

§ 15. Indien nu daarenboven wettelijk bepaald wordt dat er geen jongelieden gekozen mogen worden, zal het onmogelijk zijn dat de regeeringsmacht in handen van enkele familiën geraakt; - en daarom moet bij de wet worden vastgesteld dat niemand op de lijst der verkiesbaren gebracht mag worden voor hij zijn dertigste jaar heeft bereikt.

§ 16. Ten derde moet bepaald worden dat alle regeeringspersonen op een aangewezen plaats in de stad op vastgestelde tijden samen moeten komen, en dat hij die de Vergadering niet bijwoont en niet door ziekte of door een of andere zaak van algemeen belang verhinderd is, met een zware boete gestraft zal worden. Want deed men dit niet, dan zouden de meesten om de zorg voor hun huiselijke zaken, het gemeene* best verwaarloozen.
-----

* publicus is alles wat tot het volk behoort, oudtijds tot het "gemeen". Men vertaalt dit thans ten onrechte door "openbaar". Hebben wij hieraan ook ons "Openbaar Ministerie" te danken?

§ 17. De taak van dezen Raad moet zijn om wetten uit te vaardigen en af te schaffen, Mederegenten te kiezen en alle Rijksdienaren. Want die het gezag voert, zooals dit volgens de onderstelling het geval is met dezen Raad, kan onmogelijk aan een ander de macht geven om wetten te maken en af te schaffen, zonder daarmede tegelijk zijn onafhankelijkheid prijs te geven en het bewind over te dragen aan hem wien hij die macht verleend heeft, aangezien ieder, die, al is het maar een enkelen dag de macht heeft om wetten te maken en af te schaffen, de geheele staatsregeling kan veranderen. Daarentegen kan hij wel zonder gevaar voor zijn oppergezag, het dagelijksch beheer der rijkszaken voor een zekeren tijd en volgens bepaalde regelen aan anderen opdragen.
Werden overigens de Rijksdienaren door iemand anders dan door dezen Raad benoemd, dan mocht men de leden daarvan veeleer weeskinderen dan regenten* noemen.
------

* Hier komt het duidelijk uit, dat Spinoza met Patricii, Regenten heeft bedoeld.

§ 18. Aan het hoofd van dezen Raad plegen sommigen een Leider of Voorzitter te kiezen, hetzij voor het leven als de Venetiërs, hetzij tijdelijk als de Genuezen; zij doen dit echter met zooveel omzichtigheid, dat men duidelijk kan zien dat daarin een groot gevaar voor het Rijk is gelegen. En werkelijk is het o.i. dan ook niet te weerspreken dat hei rijk zoodoende den eenhoofdigen regeeringsvorm nadert. Voor zoover wij uit hun geschiedenis kunnen opmaken, is dit dan ook nergens anders aan toe te schrijven dan hieraan, dat deze volken voor de instelling dezer volksvertegenwoordiging onder de heerschappij van een Rijksbestierder of Hertog als onder koninklijk gezag stonden. Het benoemen van zulk een Leider is dus meer als een behoefte van dat volk, dan wel als een eisch van elke Regentenheerschappij als zoodanig te beschouwen.

§ 19. Daar nu echter het oppergezag van zulk een Rijk bij dezen Raad in zijn geheel, maar niet bij ieder lid daarvan in het bijzonder berust (want anders ware het een bijeenkomst van een ordelooze troep) is het hoogst noodzakelijk, dat alle Regenten zoodanig door wetten gebonden zijn dat ze als 't ware een lichaam uitmaken, bezield door éénen geest. Wetten op zich zelf zijn echter krachteloos en worden al zeer licht overtreden, als zij die ze moeten handhaven dezelfden zijn die er tegen kunnen zondigen, die zelf alleen zich aan de straf moeten spiegelen, en hun ambtgenooten moeten straffen om hun eigen lusten door de vrees voor een dergelijke strafoefening te beteugelen; al hetgeen groote onzin is. Er moet dus een middel worden bedacht waardoor de inrichting van dezen Oppersten Raad en de Rijksinstellingen ongeschonden bewaard worden; zoodanig echter dat er onder de Regenten zooveel mogelijk gelijkheid blijve bestaan.

(DE RAAD VAN STATE)*
------

1) Deze opschriften zijn door ons er bij gevoegd om het overzicht gemakkelijker te maken. Syndici zijn: opzieners of toezieners, episkopoi, die voor het recht van den Staat waken. Zie onze Inleiding. Wetsverdedigers, zegt Glasemaker. De term syndici is aan de Atheners ontleend.

§ 20. Dewijl nu door het benoemen van een Bestuurder of Voorzitter, die ook stem mag uitbrengen bij de beraadslagingen, noodwendig een groote ongelijkheid ontstaat, vooral door de macht die men hem natuurlijkerwijze moet toekennen om zijn taak nauwgezet te kunnen waarnemen; zoo is er, alles wel beschouwd, niets te bedenken dat nuttiger voor het algemeen welzijn is, dan dat men onder bovengenoemden Volksraad een anderen Raad vorme uit Regenten, wier plicht alleen hierin bestaat om op te letten dat 's Rijks instellingen, voor zoover die de Regeeringslichamen en Landsdienaren betreffen, ongeschonden bewaard worden; in dien zin, dat zij de macht heb ben iederen ambtenaar die zich misdraagt, d.w.z. die gezondigd heeft tegen de wetten die zijn eigen ambt betreffen, voor hun rechtbank te dagen en volgens de bestaande wetten te vonnissen; dezulken zullen wij in het vervolg Staatsraden noemen.

§ 21. Dezen moeten voor hun leven gekozen worden. Want indien men ze maar voor een korten tijd benoemde, zoodat ze later weer tot andere regeeringsambten konden worden geroepen, zouden we weer vervallen in die dwaasheid welke door ons in § 19 van dit Hst. is aangetoond. Om nu echter te voorkomen dat ze door een te langdurig bewind overmoedig worden, moet niemand tot dit ambt gekozen worden dan die zijn zestigste jaar of eenig daarboven heeft bereikt en het ambt van Senator (waarover straks) heeft bekleed.

§ 22. Hun aantal laat zich overigens gemakkelijk bepalen als wij bedenken dat deze Staatsraden zich verhouden tot de Regenten, als dezen te zamen tot het volk, hetwelk zij niet kunnen regeeren als hun aantal onvoldoende is. Zoodoende moet het aantal der Staatsraden staan tot dat der Regenten als het getal van dezen tot het gemeen, dat is: (volgens § 13 van dit Hst.) als 1 : 50.

§ 23. Daarenboven moet aan dezen Raad van State, om veilig zijn taak te kunnen uitoefenen, een afdeeling; soldaten worden toegevoegd, die geheel onder zijn bevel moeten staan.

§ 24. Aan de Staatsraden moet evenmin als aan andere ambtenaren een vaste bezoldiging worden toegekend, maar zoodanige toevallige baten* dat ze niet dan tot groote schade van zich zelf de staatszaken verkeerd kunnen leiden. Want dat het niet meer dan billijk is aan de ambtenaren van het hierbedoelde rijk een belooning voor de waarneming daarvan toe te kennen, lijdt geen twijfel, daar de meerderheid van zulk een rijk uit het mindere volk bestaat, voor wiens veiligheid de Regenten hebben te zorgen, terwijl het intusschen zelf in 't geheel niet om het Gemeenebest, maar alleen om eigen zaken denkt. Maar aangezien aan den anderen kant niemand (zooals wij zeiden in § 4 van Hst. VII) eens anders belang behartigt dan wanneer hij daardoor tevens zijn eigen belang meent te dienen, is men verplicht de zaken aldus in te richten dat de Staatsdienaren, aan wie de zorg voor het Gemeenebest is opgedragen, niet beter voor zich zelven kunnen zorgen dan door te waken voor het algemeen welzijn.
-----

* Emolumenta. "Vervallen" zegt Glasemaker,

§ 25. Aan de Staatsraden, wier plicht het is, als wij zeiden, om toe te zien dat de staatsregeling ongeschonden bewaard blijve, moeten de volgende baten worden toegewezen: Ieder huisvader, die ergens in het Rijk zijn woning heeft, moet verplicht worden jaarlijks een geldstukje van geringe waarde, namelijk het vierde gedeelte van een ons zilver, aan de Staatsraden te betalen, om daardoor het aantal inwoners te leeren kennen, en zoodoende te weten te komen hoe groot het deel is dat de Regenten daarvan uitmaken. Vervolgens moet ieder nieuw benoemde Regent bij zijn verkiezing den Staatsraden een min of meer belangrijke som betalen, b.v. van twintig of vijf en twintig pond zilver*. Voorts moet ook de boete waartoe de afwezige Regenten (namelijk die welke een uitgeschreven vergadering niet bijwoonden) veroordeeld worden, aan de Staatsraden worden toegewezen, en daarenboven een gedeelte der goederen van alle misdadige Landsdienaars die voor hun rechtbank moeten verschijnen, hun worden toegekend als ze tot een of andere geldboete worden veroordeeld of hun goederen verbeurd verklaard worden. Dit komt echter niet allen ten goede, maar alleen aan hen die dagelijks zitting houden, en wier taak het is den Raad van State bijeen te roepen, waarover men § 28 van dit Hst. raadplege. Opdat echter de Raad van State altijd voltallig blijve, moet in den Volksraad, als die op den gewonen tijd is bijeengeroepen, voor alles dit punt ter sprake worden gebracht. Indien dit door de Staatsraden verzuimd is, is het de plicht van den Voorzitter van den Senaat (waarover wij straks gelegenheid zullen hebben iets in 't midden te brengen) den Volksraad daarover aan te spreken, en den voorzitter van den Raad van State te vragen wat de reden van zijn. stilzwijgen is, en te vernemen wat daarover het gevoelen van den Volksraad is. Indien ook genoemde Voorzitter zich stilhoudt moet de Voorzitter van het Hoog-Gerechtshof, af als ook die zich stil houdt, de eerste de beste der Regenten de zaak ter sprake brengen en aan den voorzitter van den Raad van State zoowel als dien van den Senaat en de Rechters, naar de reden van hun stilzwijgen vragen. En opdat ook de wet waarbij jonge menschen worden uitgesloten, trouw worde nageleefd, bepale men, dat allen die hun dertigste jaar bereikt hebben en niet uitdrukkelijk van de Regeering zijn uitgesloten, hun naam moeten laten inschrijven op de rol in tegenoverstaan van den Raad van State en van hen voor een vasten prijs, een of ander teeken erlangen van de door hen verkregen waardigheid; zoo dat het hun vrijstaat een of ander sieraad, dat hun alleen wordt toegestaan, te dragen, waardoor zij zich onderscheiden en bij anderen in aanzien stijgen, terwijl intusschen wettelijk bepaald moet worden dat geen Regent bij verkiezingen iemands naam mag opgeven, dan hem wiens naam op de algemeene lijst is opgeschreven; en dat wel op zware boete. Bovendien mag niemand eenig ambt of bediening waartoe hij verkozen wordt, weigeren. En opdat ten slotte al de wezenlijke grondinstellingen van den Staat eeuwigdurend mogen wezen, moet er worden bepaald dat ieder die in den Volksraad eenig grondwettig recht ter sprake tracht te brengen, zooals het verlengen van het opperbevel van een of ander Legerhoofd of het verminderen van het aantal Regenten en dergelijke zaken, - zich schuldig maakt aan landverraad, (of Majesteitsschennis) en dat hij niet alleen ter dood veroordeeld moet worden met verbeurdverklaring zijner goederen, maar dat ook ter eeuwige herinnering aan zijn straf een of ander gedenkteeken in 't openbaar worde opgericht.
Ten einde aan de overige staatswetten bestendigheid te verzekeren is het voldoende te bepalen dat geen wet mag worden afgeschaft of eenige nieuwe wet afgekondigd, dan nadat vooraf de Raad van State, en vervolgens 3/4 of 4/5 van den Volksraad daarin hebben toegestemd.
------

* Een pond was oudtijds een gulden.

§ 26. Dan moet ook nog bij de Staatsraden het recht berusten om den Volksraad bijeen te roepen, en daarin de zaken die beslist moeten worden ter tafel te brengen, - terwijl hun mede de eerste plaats in den Volksraad toekomt, hoewel zonder stemrecht.
Voor ze echter zitting nemen, moeten ze bij het welzijn van den Volksraad en bij de vrijheid der gemeente zweren, alle krachten te zullen inspannen om de wetten der vaderen ongeschonden te handhaven, en te zorgen dat voor het algemeen welzijn gewaakt wordt. Na deze plechtigheid laten zij de aanhangige zaken achtereenvolgens aan den Raad mededeelen door den ambtenaar, die hun geheimschrijver is.

§ 27. Om verder op het nemen van besluiten en het verkiezen van 's lands dienaren, allen regenten gelijken invloed te verzekeren, en alle zaken snel te doen uitvoeren, is het zeer aanbevelenswaardig den regel der Venetiërs te volgen. - Dezen namelijk, kiezen bij de benoeming van Rijksambtenaren eenigen uit den Raad bij loting, en terwijl deze de te verkiezen ambtenaren achter elkander opnoemen, geeft ieder Regent zijn meening over den ter verkiezing, voorgestelden ambtenaar hetzij goedkeurend of afkeurend te kennen door steentjes, zoodat men later niet te weten kan komen in welken zin iemand gestemd heeft. Men bereikt hierdoor niet alleen dat de invloed van alle Regenten op het te nemen besluit gelijk staat en dat de zaken spoedig besteld worden, maar ook dat ieder volkomen vrijheid heeft zijn meening kenbaar te maken, zonder gevaar te loopen de menschen boos te maken, wat in alle Vergaderingen van het hoogste belang is.

§ 28. Ook in de Vergadering van den Raad van State en de overige regeeringslichamen moet deze regel gevolgd worden, dat de stemmen, zooals gezegd, met behulp van steentjes worden uitgebracht.
De bevoegdheid om den Raad van State samen te roepen en de te behandelen zaken ter tafel te brengen behoort bij hun voorzitter te berusten, die dagelijks met tien of meer Staatsraden zitting houdt om klachten van het volk over ambtenaren en geheime beschuldigingen aan te hooren*, de aanklagers zoo noodig in verzekerde bewaring te nemen, en den Raad bijeen te roepen zelfs voor den daarvoor gezetten tijd, indien een hunner mocht oordeelen dat de zaak geen uitstel lijden kan.
Genoemde voorzitter en die met hem dagelijks vergaderen, moeten door den Volksraad gekozen worden uit den boezem van den Raad van State: niet voor het leven, maar slechts voor zes maanden en niet herbenoemd worden, dan na drie of vier jaar; hun zullen ook, als boven gezegd is, de verbeurdverklaarde goederen en de geldboeten, of eenig deel daarvan worden toegekend.
Wat er nog meer van de Staatsraden te zeggen valt, zal elders worden medegedeeld.
-----

* Spinoza heeft hier een ambtelijke of ambtenaars-rechtbank op het oog, die nog te veel ontbreekt.

(OVER DEN REGEERINGSRAAD)*
-----

1) Senatus; Eigl. Raad der Ouden. Bij Huigens, Gecommitteerde Raden; Glasemaker's Staatsraad.

§ 29. Een tweeden Raad, dien wij aan den oppersten Volksraad zouden willen toevoegen, zullen wij den Regeeringsraad noemen. Diens taak zal het zijn alle Staatszaken te regelen, zooals het afkondigen van rijkswetten, de zorg voor de versterking der steden volgens de wet, het uitreiken van bevelschriften aan het leger, belastingen aan de onderdanen op te leggen en die te verpachten, vreemde gezanten te woord te staan, en te besluiten waarheen men gezanten zenden moet. Het kiezen van de gezanten zelf blijft echter opgedragen aan den Volksraad. Want men moet vooral zorgen, dat geen Regent tot eenig openbaar ambt kan worden benoemd dan door den oppersten Raad zelf, opdat niet de Regenten zelf zich gaan beijveren om zich in de gunst van den Regeeringsraad in te dringen. Voorts moet ook alles voor den Volksraad gebracht worden wat in den bestaanden toestand eenige wijziging brengt, zooals besluiten over vrede en oorlog: besluiten van den Senaat over oorlog of vrede moeten dan ook, om geldig te zijn, door het gezag van den Volksraad worden bekrachtigd; en daarom zou het m.i. ook beter zijn, dat alleen de Volksraad en niet de Regeeringsraad het recht had nieuwe belastingen op te leggen*.
-----

* Hier bedenkt Spinoza zich. Zie den Aanhef dezer §.

§ 30. Om het getal der Raadsheeren (Senatoren) te bepalen, overwege men het volgende: eerstens moeten alle Regenten even groote kans hebben tot den rang van Raadsheer op te klimmen; vervolgens moeten dezelfde Raadsheeren, wier tijd waarvoor ze benoemd waren verstreken is, niettemin binnen een niet te lang tijdsverloop weer herkozen kunnen worden, opdat het rijk altijd door bekwame en ervaren mannen bestierd worde; en eindelijk moeten onder de Raadsheeren, verscheiden mannen gevonden worden, die door wijsheid en kloekheid uitmunten*. Om aan al deze voorwaarden te voldoen, kan niets beters worden bedacht dan bij de wet te bepalen dat niemand in de orde der Raadsheeren kan worden opgenomen dan die zijn vijftigste jaar heeft bereikt en dat er 400 d.i. ongeveer een twaalfde deel der Regenten voor een jaar benoemd worden, welke twee jaar na het verstrijken van dien tijd weer herkozen kunnen worden. Op deze wijze nu zal altijd een twaalfde deel der Regenten ongeveer, met slechts korte tusschenpoozen, het Raadsheerambt bekleeden, welk getal gevoegd bij dat der Staatsraden niet veel zal worden overtroffen door het aantal Regenten die hun vijftigste jaar bereikt hebben. Zoodoende zullen alle Regenten steeds veel kans hebben de waardigheid van Raadsheer of Staatsraad te verkrijgen, en toch altijd dezelfden, met slechts korte tusschenpoozen den Raadsheerstoel bezetten, tengevolge waarvan, (naar wij in § 2 van dit Hst. zeiden) in de Regeering nooit voortreffelijke mannen zullen ontbreken, die door beleid en schranderheid uitblinken. En daar men deze wet niet zal kunnen ontduiken dan tot groote ergernis van vele Regenten, heeft men geen anderen waarborg noodig om haar steeds van kracht te doen blijven, dan dat ieder Regent die den door ons genoemden leeftijd heeft bereikt, daarvan een bewijs overlegt bij de Staatsraden, opdat dezen zijn naam inschrijven op de lijst dergenen die voor de Raadsheerlijke waardigheid zijn aangewezen, en dien in den Volksraad voorlezen, opdat hij den zetel in dezen Raad voor zijns gelijken bestemd en zich bevindende naast de plaats der Raadsheeren, met zijns gelijken in rang kunne innemen.
-----

* Vroede mannen, zei Oud-Holland.

§ 31. De inkomsten der Raadsheeren moeten van dien aard zijn, dat ze meer belang bij vrede dan bij oorlog hebben, en daarom moet hun een honderdste of een vijftigste part worden toegewezen van de waren die uit het rijk naar andere streken of uit andere streken in het rijk worden ingevoerd. Want zoodoende kunnen we er zeker van zijn dat ze den vrede zooveel mogelijk zullen bevorderen, en nooit den oorlog zullen uitlokken. Raadsheeren, die bij geval zelven kooplieden zijn, moeten echter nooit van het betalen dezer belasting worden vrijgesteld, daar zulk een vrijstelling niet dan tot groot nadeel voor den handel kan worden verleend; dit zal geloof ik, een ieder wel bekend zijn.
Van den anderen kant moet bij de wet bepaald worden dat een Raadsheer of wie het ambt van Raadsheer eens heeft waargenomen geen krijgsambt kan bekleeden; en bovendien geen opperbevelhebber of veldoverste, die alleen in tijden van oorlog aan het hoofd van het leger moeten gesteld worden, (zooals wij zeiden in § 9 van dit Hst.) mag worden aanbevolen uit personen wier vader of grootvader Raadsheer is, of het Raadsheerambt nog geen twee jaar geleden bekleed heeft.
Zonder eenigen twijfel zullen de Regenten die niet tot den Senaat behooren, deze wetten met alle kracht handhaven en ten gevolge daarvan zullen de Raadsheeren altijd meer voordeel hebben bij vrede dan bij oorlog, en daarom ook nooit den oorlog aanraden dan wanneer het belang van het Rijk hen daartoe onvermijdelijk dwingt. Nu zou men ons kunnen tegenwerpen dat zoodoende, namelijk door het toekennen van zulke groote geldelijke inkomsten aan Staatsraden en Raadsheeren, de Regentenregeering niet minder drukkend zal zijn voor de ingezetenen dan eenig ander eenhoofdig bewind. Maar behalve dat een koninklijk hof veel grooter uitgaven vordert die geenszins worden besteed om den vrede te bewaren, en men den vrede nooit tot te duren prijs kan koopen; komt hierbij allereerst dat wat in een koningrijk aan een of weinigen toekomt, hier aan zeer velen wordt gegeven; vervolgens dragen koningen en hunne ministers niet met hun onderdanen hun aandeel in de Rijkslasten, wat hier daarentegen wel gebeurt daar de Regenten die altijd uit de meervermogenden gekozen worden, het grootste deel der Staatsgelden opbrengen en eindelijk zijn de bezwaren van het Koningschap niet zoozeer te wijten aan de koninklijke huishouding als wel aan hun geheime fondsen.
Want lasten die tot behoud van vrede en vrijheid den burgers worden opgelegd, zijn hoe zwaar ook, te dragen en worden ter wille van de voordeelen van den vrede geduld.
Welk volk heeft b.v. ooit zoovele en zoo zware lasten moeten opbrengen als het Hollandsche? en toch werd het hierdoor niet uitgeput maar integendeel door rijkdom zoo machtig dat allen zijn voorspoed benijdden.
Indien dus de lasten aan een koningrijk verbonden ter wille van den vrede werden geheven, zouden ze de burgerij niet te zeer drukken; doch het is, zooals ik daareven opmerkte, aan de geheime uitgaven van zulk een rijk te wijten, dat de ingezetenen onder den last bezwijken. Ook komt dit omdat de bekwaamheid der koningen meer in oorlog dan in vrede uitkomt, en omdat zij die alleen willen regeeren, alles in 't werk moeten stellen om hun onderdanen arm te houden; om nu maar te zwijgen van zooveel andere dingen welke door den Hollander V(an) H(ove)* weleer zijn aangegeven, daar dit niet strookt met mijn plan dat alleen hierin bestaat om de beste inrichting van ieder der verschillende staatsregelingen te beschrijven.
-----

* In zijn boek getiteld: Consideratien van Staat, ofte Polityke Weegschaal, enz. door V. H. (Mr. Pieter de la Court) 't Amsterdam 1662; een werk voorkomende in Spinoza's boekerij, thans te Rijnsburg.

§ 32. In den Regeeringsraad moeten enkele Staatsraden, die daartoe door den Volksraad worden gekozen, zitting hebben, evenwel zonder recht van stemmen; en wel om toe te zien dat alle wetten die op dien Raad betrekking hebben, trouw worden nagevolgd, en om te zorgen dat de Volksraad bijeengeroepen wordt, wanneer er door den Regeeringsraad iets aan den Volksraad ter beslissing moet worden onderworpen, daar, zooals wij reeds zeiden, de Staatraden het recht hebben den Volksraad bijeen te roepen en aldaar zaken aanhangig te maken. Voordat echter over dergelijke zaken gestemd wordt, zal de Voorzitter van den Regeeringsraad de toedracht der zaken en het gevoelen van dien Raad zelf over het onderhavige geval, met aanvoering van redenen uiteenzetten; waarop op de gewone wijze stemopneming geschiedt.

§ 33. De geheele regeeringsraad moet niet dagelijks maar evenals alle groote regeeringslichamen, op een bepaalden tijd bijeenkomen. Maar aangezien ondertusschen de zaken van Staat hun gang moeten gaan, is het noodig dat er een zeker aantal Raadsheeren worde aangewezen, die als de Raad uiteengegaan is, dien plaats vervangt, aan welke Afdeeling* moet worden opgedragen den Regeeringsraad zoo noodig op te roepen, diens besluiten betreffende het Gemeenebest ten uitvoer te brengen, de brieven aan de Regeerings- en Volksraad gericht te lezen, en eindelijk te overwegen welke zaken aan den Senaat moeten worden voorgesteld. Om dit alles en de inrichting van den geheelen Raadbeter te doen begrijpen, zal ik hierbij eenigszins meer in bijzonderheden moeten treden.
-----

* Dit zijn eigenlijk de Gecommitteerde Raden.

(STAATSHOOFDEN)*
-----

* Consules, eigl. Burgemeesters. Zij zijn eenigszins met onze Staatsdienaren of Ministers te vergelijken.

§ 34. De Raadsheeren, als gezegd, voor een jaar verkozen, moeten in vier of zes afdeelingen verdeeld worden waarvan de eerste twee of drie maanden inden Senaat voorzit*, waarna de tweede de plaats der eerste inneemt, en zoo verder: zoodat bij beurten iedere afdeeling binnen een zeker tijdsverloop in den Senaat voorzit en hij die in de eerste maanden de eerste was in de volgende de laatste is**. Voorts moeten er naar gelang van het aantal Afdeelingen, Voorzitters en Ondervoorzitters gekozen worden, welke laatsten desvereischt de plaats der eersten kunnen innemen d.w.z. uit iedere Afdeeling worden twee personen gekozen waarvan de een voorzitter, de ander ondervoorzitter van die Afdeeling is; terwijl hij die voorzitter is van de eerste Afdeeling in de eerste maanden ook voorzitter is van den Senaat, of bij zijn afwezigheid vervangen wordt door zijn Ondervoorzitter; en zoo ook, met de overigen, in de bovengenoemde volgorde.
Vervolgens moeten er uit de eerste Afdeeling eenigen bij loting of stemming gekozen worden, om met den Voorzitter en Ondervoorzitter van die Afdeeling de plaats van den Regeeringsraad te vervullen als deze uiteengegaan is, en dat wel gedurende hetzelfde tijdsverloop, waarin die zelfde Afdeeling in den Regeeringsraad voorzit. - Is die tijd verstreken, dan worden uit de tweede Afdeeling weer evenveel door het lot of bij stemming aangewezen, om met hun Voorzitter en Ondervoorzitter de plaats van de eerste Afdeeling in te nemen en den Senaat te vervangen; en zoo verder. Het is niet noodig dat de verkiezing van deze mannen, welke, zooals ik zeide, bij loting of stemming alle drie of twee maanden moeten benoemd worden, en die wij in 't vervolg Staatshoofden zullen noemen, door den Volksraad geschiede, want de reden daarvoor in § 29 van dit Hoofdstuk opgegeven geldt hier niet, en nog minder die van § 17. Dus is het voldoende als zij door den Regeeringraad en die Staatsraden, welke de zitting bijwonen, benoemd worden.
-----

* Hier heb ik in plaats van sedeat, praesideat gelezen.
** Dit was de gewoonte bij de zittingen der Staten-Generaal.

§ 35. Hun aantal kan ik echter niet zoo nauwkeurig bepalen. Dit evenwel staat vast dat er zooveel moeten zijn dat zij niet gemakkelijk kunnen worden omgekocht, want hoewel ze alleen geen besluiten kunnen nemen die het algemeen belang betreffen, zoo kunnen ze toch den Regeeringsraad aan het lijntje houden, of wat nog erger zou zijn, om den tuin leiden door ze voor te stellen wat van geen belang en te verzwijgen wat van veel belang was, om er nog niet eens van te spreken dat bijaldien ze te gering in aantal zijn de afwezigheid van den een of ander reeds alleen in staat zou zijn om stilstand in den gang van zaken te brengen. Dewijl echter van den anderen kant deze Staatshoofden juist daarom benoemd worden, omdat groote Vergaderingen zich niet dagelijks aan de Staatszaken kunnen wijden moet hier noodzakelijk een middenweg worden ingeslagen, en het tekort in aantal vergoed worden door den korten duur van hun ambt. Zoodoende zullen er indien er slechts 30 of daaromtrent, in twee of drie maanden worden gekozen, meer zijn dan in zulk een korten tijd kunnen worden omgekocht, en daarom heb ik ook aangeraden om hen die in hun plaats treden, niet anders te verkiezen dan op dat tijdstip waarop dezen zelven moeten opvolgen en de anderen aftreden.

§ 36. Als taak van deze Staatshoofden hebben wij verder aangegeven: den Senaat bijeen te roepen, wanneer eenigen van hen, al zijn het slechts weinigen dit noodig oordeelen; de zaken die behandeld moeten worden ter tafel te brengen; den Senaat te ontbinden en zijn besluiten betreffende het Staatsbeheer ten uitvoer te leggen. Hoe dat nu regelmatig geschieden kan, zonder dat de zaken door nuttelooze overleggingen op de lange baan geschoven worden, zal ik thans kortelijks mededeelen. De Staatshoofden hebben namelijk zich te beraden over wat er in den Regeeringsraad zal worden voorgesteld en wat men behoort te doen. Zijn ze het daarover allen eens geworden, dan moeten ze den Regeeringsraad bijeenroepen, de zaak duidelijk uiteenzetten, en meedeelen wat hun gevoelen daarover is; waarop zij zonder af te wachten of iemand daarover iets zeggen wil, volgens de orde tot stemmen overgaan. Indien de Staatshoofden echter meer dan een gevoelen zijn toegedaan, dan moet in den Regeeringsraad eerst dat gevoelen over de voorgestelde zaak worden blootgelegd, wat door het grootste deel der Hoofden werd voorgestaan; en indien dit door de meerderheid in den Regeeringsraad en der Hoofden niet wordt goedgekeurd maar het aantal twijfelenden en tegenstemmers te zamen de meerderheid uitmaakt, wat, als gezegd, uit de steentjes moet blijken, dan moet men de andere meening, die onder de Staatshoofden minder stemmen verkregen dan de eerste, voorleggen, en zoo verder alle overige. Wordt geen der voorstellen door de meerderheid van den Regeeringsraad goedgekeurd, dan moet deze tot den volgenden dag of voor een korten tijd worden verdaagd om den Hoofden gelegenheid te geven andere voorstellen te bedenken, die meer in den smaak vallen. Gelukt hun dit niet, of worden de ontwerpen door hen voorgesteld weer door de meerderheid van den Regeeringsraad verworpen, dan moet het gevoelen van iederen Raadsheer* gehoord worden, en als hiervoor weer geen meerderheid wordt verkregen dan moet men weer over ieder voorstel stemmen en niet alleen, als tot dusver, de stemmen der voorstemmers maar ook die der weifelaars en tegenstemmers afzonderlijk tellen, en indien er dan meer voorstemmers dan weifelenden of tegenstemmers blijken te zijn, is zulk een voorstel aangenomen, maar daarentegen verworpen, als men meer tegenstanders dan twijfelaars of voorstemmers in de bus bevindt. Is echter het aantal twijfelaars bij alle voorstellen grooter dan dat der tegenstemmers of voorstemmers, dan moet de Raad van State zich vereenigen met den Regeeringsraad en tegelijk met de Raadsheeren stemmen, alleen met voor of tegen, met weglating van, die steentjes die zich noch voor noch tegen verklaren**.
Zaken, welke door den Regeeringsraad bij den Volksraad worden gebracht, worden op dezelfde wijze behandeld. Dit over den Senaat.
-----

* Hier wordt zeker bedoeld: van ieder die daarover spreken wil.
** In de Polityke Weegschaal staat deze wijze van stemmen zeer sierlijk afgebeeld.

(HET HOF)*
------

* Forum. Het hof is hier als gerechtshof in algemeenen zin te verstaan.

§.37. Wat het hof aangaat of de rechtbank, dit kan niet op dezelfde wijze worden ingericht als het hof onder de Vorstelijke regeering, zooals wij dat in Hst. VI § 26 vlgg. beschreven. Want volgens § 14 van dit Hst. strookt het niet met den aard van deze staatsinrichting eenige rekening te houden met rassen of groepen (familiën). Voorts zouden Rechters, die alleen uit Regenten gekozen werden, wel door vrees voor de hen opvolgende Regenten weerhouden kunnen worden tegen een van dezen een onrechtvaardig vonnis uitte spreken, ja zelfs het niet wagen hen naar verdienste te straffen; maar daarentegen jegens weerlooze burgers zich alles kunnen veroorloven en zich dagelijks de rijksten ter prooi kiezen. Nu weet ik dat juist daarom door velen de maatregel der Genuezen wordt toegejuicht, die namelijk hun Rechters niet uit de Regenten, maar uit Vreemdelingen kiezen; - toch schijnt mij dit als ik de zaak geheel onafhankelijk beschouw, een zeer dwaze instelling te zijn, om namelijk vreemdelingen, en geen regenten op te dragen de wetten te verklaren. Want wat zijn Rechters anders dan Wetsduiders? Daarom houd ik mij dan ook overtuigd dat de Genuezen ook in dit opzicht meer te rade zijn gegaan met den aard van hun volk dan met het wezen van de hier besproken staatsregeling. Derhalve moeten wij, die hier de zaken geheel op zich zelf beschouwen, op middelen bedacht zijn, die het best met de beginselen van dezen regeerings-vorm zijn overeen te brengen.

§ 38. Wat het aantal der Rechters betreft, daarvoor geeft de aard dezer Staatsregeling geen bijzonderen maatstaf aan; toch moet men evenals bij de Alleenheerschappij, ook hier voor alles zorgen dat er meer zijn dan door een gewoon burger kunnen worden omgekocht. Want hun plicht is alleen om toe te zien dat de eene burger den anderen geen kwaad doet; dus hebben zij zoowel alle geschillen tusschen burgers, zoowel Regenten als lieden uit het volk, te beslechten, als alle misdadigers te straffen, ook al zijn het Regenten, Staatsraden of Raadsheeren, zoodra ze tegen de wetten die voor allen gelden, misdreven hebben.
Moeielijkheden, die kunnen oprijzen tusschen steden die tot het rijksgebied behooren, moeten door den Volksraad beslist worden.

§ 39. De tijd waarvoor zij verkozen moeten worden staat in beide Staatsregelingen gelijk; ook dat jaarlijks een gedeelte van hen moet aftreden, en eindelijk, hoewel het niet bepaald noodig is dat ieder van hen uit een andere volksgroep (familie) zij, is het toch een vereischte, dat nooit twee bloedverwanten tegelijk in de Rechtbank zitting hebben.
Dit moet ook in alle andere regeeringslichamen in acht genomen worden, behalve in den Volksraad. - Hier is het genoeg indien slechts bij verkiezingen door de wet gezorgd worde, dat niemand zijn bloedverwant mag aanbevelen, noch daarover stemmen als hij door een ander wordt voorgesteld; ook mogen nooit twee nabestaanden te zamen een lot uit de bus trekken als er geloot wordt om de benoeming van een ambtenaar. Dit is, zeg ik, een voldoende waarborg in een Raad die uit zulk een groot aantal menschen is samengesteld, en wien geen buitengewone toelagen* ten deel vallen. Het gevaar dat hierin voor dit rijk gelegen is, is zelfs zoo gering dat het onzin zou zijn een wet uit te vaardigen waarbij alle nabestaanden der Regenten uit den Volksraad geweerd werden, evenals door ons in § 14 van dit Hst. is gezegd. Want dat dit dwaas zou zijn ligt voor de hand. Zulk een wet toch zou door de Regenten zelven niet ingevoerd kunnen worden zonder dat zij daarmede in dit opzicht ten eenenmale afstand deden van hun gezag, zoodat hun eigen recht niet meer door de Regenten maar door het volk gehandhaafd zou moeten worden, wat volmaakt in strijd is met hetgeen wij in § 5 en 6 van dit Hst. hebben aangetoond. Immers de rijkswet, waarbij bepaald wordt dat er altijd dezelfde verhouding tusschen het aantal Regenten en het volk moet blijven, bestaan, bedoelt in hoofdzaak niets anders dan het recht en de macht der Regenten te handhaven, opdat zij vooral niet zooveel in aantal zouden afnemen, dat ze de menigte niet in bedwang konden houden.
-----

* emolumenta.

§ 40. Overigens moeten de Rechters door den Volksraad, uit de Regenten zelven, dat is (volgens § 17 van dit Hst.) uit de wetgevers zelven gekozen worden, terwijl alle vonnissen door hen in geschillen over mijn en dijn*, zoowel als in strafzaken gewezen, van kracht zullen zijn, indien zij met inachtneming van alle vormen en zonder partijdigheid zijn uitgesproken. Het zal aan den Raad van State rechtens zijn opgedragen hieromtrent een onderzoek in te stellen, een oordeel uit te spreken en een vonnis uit te vaardigen.
------

* res civiles. "Burgerlijke of wel civiele zaken" zegt men tegenwoordig.'

§ 41. De inkomsten der rechters moeten dezelfde zijn als die wij in § 29 Hst. VI hebben opgenoemd. Bij elk vonnis namelijk over eigendomsrecht geveld, zullen zij van de verliezende partij een zeker deel ontvangen van de som waarover het geding loopt. Doch ten opzichte van hun vonnissen in strafzaken zal hier alleen dit onderscheid gemaakt moeten worden, dat de goederen door hen verbeurd verklaard en elke geldsom, waarmede kleinere misdrijven geboet worden, aan hen alleen worde gegeven: onder dit beding echter, dat zij nooit iemand door de pijnbank tot bekentenis mogen dwingen.
Op deze wijze zal men voldoende gezorgd hebben, dat ze niet onbillijk zijn jegens de kleine luiden, noch uit vrees de Regenten te veel ontzien. Want behalve dat die vrees reeds door hun hebzucht - hier bovendien nog onder den schoonklinkenden naam van rechtvaardigheid bedekt - genoegzaam getemperd wordt, bedenke men dat ze in grooten getale bijeen zijn en hun stemmen niet openlijk, maar met steentjes geschiedt, zoodat iemand die verstoord is over het verlies van zijn geding, toch geen reden heeft dit aan een der rechters in het bijzonder te wijten. Voorts zal het ontzag voor den Raad van State de rechters verhinderen een onbillijk of ten minste eenig ongerijmd vonnis uit te spreken, en elk van hen om een of andere bedriegelijke handelwijze te plegen; nog daargelaten dat er onder zulk een groot getal rechters altijd nog wel een of ander te vinden is, voor wien onrechtvaardigen ontzag hebben. En wat eindelijk het volk betreft, ook daarvoor is voldoende gezorgd, als zij zich op de Staatsraden mogen beroepen, aan wien het, naar ik zeide, rechtens vergund moet zijn, de handelingen der rechters te onderzoeken, te beoordeelen en te vonnissen. Want het lijdt geen twijfel of de Staatsraden zullen zich den haat van vele. Regenten op den hals halen en daarentegen bij het volk steeds in aanzien zijn, welks bijval zij, zooveel hun immer mogelijk is, voor zich zoeken te winnen. Te dien einde zullen zij, als het voorkomt, niet verzuimen, elk vonnis dat tegen de wet in het openbaar is uitgesproken, te herroepen, iederen rechter ter verantwoording te roepen en de schuldigen te straffen; want niets maakt meer indruk op de gemoederen der menigte dan dit. Dat zulke strafoefeningen slechts zelden kunnen voorkomen is geen bezwaar, maar veeleer een groot voordeel. Want als het waar is dat elke Staat (of stad) verkeerd is ingericht, waar dagelijks strafoefeningen aan boosdoeners worden voltrokken, (zooals wij in § 2 Hst. V zagen) dan moeten voorzeker al zulke vonnissen, waarvan buitengewoon gewag wordt gemaakt tot de zeldzaamheden blijven behooren.

(OVER HET BESTUUR VAN DEN LANDE)*
------

* "den Lande" is een Oud-Hollandsche uitdrukking voor wat niet de hoofdstad is.

§ 42. Die naar andere steden of gewesten als Stadhouders* worden gezonden moeten uit den kring der Raadsheeren gekozen worden, dewijl het hun plicht is te zorgen voor de versterkingen der steden, de schatkist, het leger enz. Die echter naar meer verwijderde streken worden afgevaardigd, kunnen de Raadsvergaderingen niet bijwonen, en daarom moeten alleen zij uit den Regeeringsraad gekozen worden, die gezonden worden naar steden die in het vaderland gelegen zijn; doch zij die men naar meer verwijderde streken wil zenden, moeten worden gekozen uit hen wier leeftijd niet veel** van den Raadsheerlijken rang verschilt.
Toch geloof ik niet dat hierdoor voldoende voor de rust van het Rijk gezorgd zou zijn, zoolang men namelijk aan de omringende steden alle recht van stemmen volkomen onthield, tenzij ze alle zoo machteloos mochten zijn dat men er volstrekt geen rekening mede behoeft te houden, wat niet wel denkbaar is. Dies is het noodig aan de omringende Steden burgerschapsrechten te geven en uit elkeen 20, 30 of 40 (want dit getal hangt af van de grootte der stad) uitgekozen burgers onderde Regenten op te nemen, uit hen weer 3, 4 of 5 jaarlijks, te kiezen om zitting te nemen in de Regeering, en één voor zijn leven tot Staatsraad te benoemen. Men zou dan hen die in de Regeering zitting namen, met den Staatsraad als stadhouders kunnen zenden naar de stad waaruit zij gekozen waren.
------

* Proconsules.
** Hier heb ik "multum" ingelascht.

§ 43. Ook de Rechters die in elke stad moeten aangesteld worden, moeten uit de regenten dier stad gekozen worden. Ik acht het echter niet noodig hier uitvoerig bij stil te staan wijl het niet behoort tot de grondwet der hier behandelde staatsinrichting.

(OVER DE GEHEIMSCHRIJVERS)*
-----

* "qui a Secretis sunt."

§ 44. Al de geheimschrijvers der verschillende Regeeringslichamen moeten evenals alle andere dergelijke beambten omdat zij geen stemrecht hebben, uit het volk gekozen worden. Daar dezen echter door de langdurige behandeling der zaken zeer veel kennis hebben van al hetgeen er voorvalt, gebeurt het vaak, dat men meer dan nuttig is aan hun oordeel overlaat en de toestand van het geheele rijk grootendeels van hun bestier afhankelijk wordt; hetgeen Holland tot den ondergang heeft geleid*. Zoo iets toch kan niet geschieden; zonder dat het de ergernis van vele Aanzienlijken gaande maakt. En inderdaad moet men erkennen dat een Regeering (Senatus) wier beleid niet is te danken aan het overleg der Raadsheeren maar aan het inzicht der beambten, grootendeels uit onbekwame lieden bestaat; zoodat de toestand van zulk een rijk niet veel gunstiger zal zijn dan die van een Koningrijk, door een klein aantal koninklijke raadslieden bestuurd; waarover gesproken is in Hst. VI, § 5, 6 en 7. Hierbij valt echter op te merken dat een rijk in minder of meerder mate aan dit gevaar zal blootgesteld zijn, naarmate het goed of verkeerd is ingericht**. Immers de vrijheid van een rijk dat niet op stevige grondslagen gevestigd is, is niet zonder groot gevaar te verdedigen. Om dit nu te ontgaan, kiezen de Regenten eerzuchtige mannen uit het volk tot staatsdienaren, die dan later, als er een omwenteling plaats vindt, als offers worden geslacht om de woede te koelen dergenen die de vrijheid belagen***.
Waar echter de grondslagen waarop de vrijheid gebouwd is, sterk genoeg zijn, daar behouden de Regenten de eer om die te handhaven liever aan zich en zorgen, er voor dat het beleid der Staatszaken alleen van hun overleg afhankelijk blijft. Deze twee punten hebben wij dan ook hoofdzakelijk in 't oog gehouden bij het ontwerpen van de grondwet der onderhavige staatsregeling; te weten: om het volk zoowel van de beraadslagingen als van alle stemmingen uit te sluiten (zie § 3 en 4 van dit Hst.) in dier voege dat de hoogste rijksmacht bij alle Regenten, - het uitvoerend gezag bij de Staatsraden en den Regeeringsraad, - en eindelijk het recht om den Regeeringsraad bijeen te roepen en de zaken die het algemeen welzijn betreffen voor te stellen, bij de Staatshoofden, uit den Regeeringsraad gekozen, zou berusten. En indien nu verder wordt bepaald, dat al wie geheimschrijver is in den Regeeringsraad of in andere Raden, voor 4 of 5 jaar ten hoogste gekozen wordt, en hem een opvolger wordt toegevoegd, die voor denzelfden tijd tot geheimschrijver wordt aangewezen en ondertusschen een gedeelte van het werk op zich neemt; of als er in den Regeeringsraad niet een maar meer geheimschrijvers zijn, waarvan de een met deze, de ander met gene werkzaamheden wordt belast, zal het nooit zoover komen dat de macht der beambten overwegend wordt.
-----

* Het algemeen gevoelen in de jaren 1675, 76 en 77 was dat de vrijheid door de omwenteling van 1672 te gronde was gegaan. Amsterdam vooral ergerde zich over de willekeur en gezagsaanmatiging van Willem III.
** Dit ziet op de unie van Utrecht.
*** Dit slaat op Oldenbarnevelt en de Witt, beide raadpensionarissen.

(OVER DE ONTVANGERS).

§ 45. Schatmeesters* moeten ook uit het volk gekozen worden, en dezen moeten verplicht zijn, niet alleen aan den Regeeringsraad maar ook aan den Raad van State verantwoording te doen.
----

* Aerarii tribuni. Het woord Schatmeester is van Glasemaker.

(OVER DEN GODSDIENST).

§ 46. Hetgeen op den godsdienst* betrekking heeft, hebben wij zeer uitvoerig in het Godgeleerd-Staatkundig Vertoog uiteengezet. Toch zijn er enkele zaken achterwege gebleven, die aldaar minder te pas kwamen.. En wel in de eerste plaats dat alle Regenten van denzelfden godsdienst moeten zijn, namelijk van dien allereenvoudigsten en meest algemeenen**, dien wij in datzelfde Vertoog omschreven hebben. Immers voor alle dingen moet men zorgen dat de Regenten zelven niet in secten verdeeld zijn, en de een deze de andere een andere partij meer begunstigt; maar ook dat zij in 't bijgeloof verstrikt, aan de onderdanen de vrijheid, niet trachten te benemen, om te zeggen wat zij meenen. Overigens moeten echter, ofschoon aan ieder de vrijheid moet gegeven worden om te zeggen wat hij meent groote bijeenkomsten verboden worden. Daarom moet aan hen die een anderen godsdienst zijn toegedaan, wel toegestaan worden zooveel kerken te bouwen als hun lust, maar klein van omvang en van een bepaalde grootte, en op plaatsen die ietwat van elkander verwijderd zijn***. Daarentegen is het van hoog belangalle kerken**** aan den landsgodsdienst gewijd, grootsch en kostbaar te maken, en alleen aan Regenten en Raadsheeren te vergunnen de voornaamste plechtigheden daarvan te leiden*****, zoodat Regenten alleen mogen doopen, huwelijken inzegenen, en handen opleggen****** en zij geheel en al als een soort hoogepriesters, en handhavers en uitleggers van het landsvaderlijk geloof worden erkend. Om te prediken, de kerkelijke fondsen en de dagelijksche zaken te beheeren, moeten door de Regeering eenige mannen uit het volk gekozen worden, die als plaatsvervangers van den Regeeringsraad optreden, en daaraan dus van alles rekening en verantwoording schuldig zijn.
----

* Religio.
** Religio maxime Catholica.
*** Deze wet heeft nog lang bij ons gegolden.
**** templa.
***** Hier komt in zekeren zin de Collegiant voor den dag: in zoover hij eerstens de Algemeene Kerk predikt, en tweedens, aan leeken de kerkelijke leiding geeft. Toch zouden de Collegianten dit niet ten volle beaamd hebben, omdat geen hunner overheidspersoon wilde zijn.
****** vermoedelijk is hier "priesterwijding" investituur bedoeld.

§ 47. Dit nu is het voornaamste wat tot de grondregeling van dit rijk behoort, waarbij ik nog een paar andere zaken wil voegen, die wel niet zoo zeer grondzakelijk maar toch van groot gewicht zijn, te weten: dat de Regenten zich moeten vertoonen met een of anderen bijzonderen mantel of kleedij waaraan ze te onderkennen zijn; dat ze met een bijzonderen titel moeten worden aangesproken en ieder man uit het volk voor hen uit den weg moet gaan; terwijl elke Regent, die door eenig ongeluk dat hij niet had kunnen vermijden zijn fortuin verloren heeft en dit duidelijk kan bewijzen, uit de schatkist, weer in zijn doen hersteld moet worden. Blijkt echter, dat hij door verkwisting, overdaad, dubbelspel of hoererij zijn vermogen heeft doorgebracht, of dat hij in het geheel meer schuldig is dan hij betalen kan, dan moet hij van zijn achtbaarheid afstand doen en alle eereambten en betrekkingen onwaardig verklaard worden. Want wie zich zelf en zijn eigen zaken niet kan regelen, zal nog minder voor het algemeen welzijn kunnen zorgen.

(VAN DEN EED).

§ 48. Wie door de wet gedwongen worden een eed af te leggen, zullen zich veel meer van meineed onthouden, indien men hen gelast bij 's lands welzijn en de vrijheid of bij den Volksraad te zweren, dan bij God; want wie bij God zweert, stelt slechts een bijzonder belang tot pand waarvan hij alleen de waarde heeft te bepalen; maar die met een eed de vrijheid en het behoud des lands in de waagschaal stelt, zweert bij een goed dat allen gemeen is, en niet aan hem te waardeeren staat, zoodat hij, in geval van meineed, zich zelf daardoor tot een vijand des vaderlands verklaart.

(HOOGESCHOLEN).

§ 49. Academiën op Staatskosten gesticht, strekken meestal minder om de geesten te ontwikkelen dan om ze in toom te houden*.
In een vrijen Staat kunnen kunsten daarom en wetenschappen niet beter beoefend worden, dan wanneer aan ieder die daarom verzoekt, wordt toegestaan in 't openbaar als leeraar op te treden, op eigen kosten, en op eigen verantwoording.
Deze en dergelijke zaken zal ik echter liever elders behandelen, daar ik mij hier alleen heb voorgenomen te spreken over datgene wat op de Regentenheerschappij als zoodanig betrekking heeft.
-----

* De Leidsche Hoogeschool werd hoofdzakelijk opgericht om predikanten van het Gereformeerde geloof te vormen. Elk professor moest dat geloof belijden. De Keurvorst van den Pfalz, stelde een dergelijken eisch aan Spinoza. De grootste geesten werden meestal buiten de hoogescholen gebannen of gehouden. Ook in onzen tijd en in ons land zijn daarvan voorbeelden aan te wijzen.