HOOFDSTUK VII
(NADERE TOELICHTING VAN HOOFDSTUK VI.)
§ 1. Na deze korte opsomming van de grondslagen eener Alleenheerschappij,
ben ik nu van plan de gronden daarvoor in geregelde volgorde uit een te zetten.
Allereerst valt te dien opzichte op te merken dat het in het minst niet met
de ervaring in strijd is, sommige wetten zoo onwrikbaar vast te stellen dat
ze zelfs door den Koning niet kunnen worden afgeschaft. Want de Perzen plachten
hun koningen als Goden te vereeren en toch hadden de koningen zelfs niet de
macht de eenmaal vastgestelde wetten te herroepen, zooals blijkt uit het 5de
Hst. van Danië*; terwijl, voor zoover ik weet, nergens een koning verkozen
wordt zonder dat men hem althans eenige voorwaarden stelt, hetgeen dan ook inderdaad
noch met de Rede, noch met de volstrekte gehoorzaamheid die men den koning verschuldigd
is, in strijd is.
Want de grondwet des Rijks moet worden beschouwd als een onveranderlijk besluit
van den Koning, in dier voege, dat zijn dienaren hem geenszins ongehoorzaam
zijn indien zij weigeren hem te gehoorzamen, wanneer hij iets gebiedt dat met
de grondwet des rijks onvereenigbaar is. Dit blijkt ons ten duidelijkste uit
het voorbeeld van Ulysses**. Diens reisgezellen immers volgden slechts zijn
bevelen, toen zij hem van den mast waaraan hij gebonden was, niet wilden losmaken,
niettegenstaande hij, door 't gezang der Sirenen medegesleept, hun zulks onder
geweldige dreigementen gebood, en men prijst hem om zijne bezadigdheid dewijl
hij later zijne reisgezellen dankte omdat zij hem gehoorzaamd hadden in den
eerst door hem bedoelden zin. Dit voorbeeld van Ulysses plegen koningen ook
hun rechters ter navolging aan te prijzen, om namelijk gerechtigheid uit te
oefenen zonder aanzien des persoons, zelfs niet dien des konings, indien deze
bij voorkomende gelegenheid iets mocht bevelen, dat naar hunne overtuiging met
de gevestigde rechtsorde in strijd was. Want Koningen, zijn geen Goden, maar
menschen die zich dikwerf door Sirenengezang laten verleiden. Indien derhalve
alles afhing van de willekeur van een enkel persoon, dan zou men zich op niets
kunnen verlaten. En daarom moet dan ook elk eenhoofdig gezag, om stand te kunnen
houden, zoo worden ingericht, dat wél alles geschiedt op 's Konings gezag,
m.a.w. dat alle recht de uitdrukkelijke wil des Konings zij, maar niet, dat
al, wat de Koning wil, recht zij. Zie hierover § 3, 5 en 6 van het vorige
Hoofdstuk.
-----
* Hier moet gelezen worden 6:16.
** Hom. Odyss. 12: 186 vlgg.
§ 2. Verder is op te merken dat bij het samenstellen van elke staatsregeling
(grondwet) vooral rekening gehouden moet worden met de menschelijke gemoedsaandoeningen.
Het is niet genoeg, aan te toonen wat er gedaan moet worden, maar vooral hoe
men het moet aanleggen opdat de menschen, hetzij zij zich door hun gevoel of
door de Rede laten leiden, steeds recht ep wet boven alles blijven handhaven.
Want als de Volksrechten of de burgerlijke vrijheid alleen steunt op de zwakke
hulp der wetten, dan zullen de burgers niet alleen geen zekerheid hebben die
vrijheid te behouden, zooals wij in § 3 van het vorig hoofdstuk aantoonden,
maar zullen zij er slechts te grooter ellende door ondervinden. Want zeker is
het dat geen toestand ellendiger is, dan die van een voortreffelijken staat
die in verval begint te komen; tenzij hij bij den eersten stoot of door een
staatsgreep ineenstort en ten onder wordt gebracht, wat echter hoogst onwaarschijnlijk
is. Het ware voor de onderdanen van zulk een staat veel beter geweest al hunne
rechten onbeperkt aan één man toe te vertrouwen dan onzekere of
ijdele en dus onbetrouwbare privilegieën te bedingen en zoodoende hun nageslacht
den weg te banen tot de afschuwelijkste slavernij.
Indien ik echter zal hebben aangetoond dat de grondslagen van een koningrijk,
zooals ik die in het vorig Hoofdstuk heb opgesomd, standhoudend zijn en niet
omver te werpen zonder dat de meerderheid van het weerbare volk daartegen zich
verzet, en dat van die inrichting voor den Koning zoowel als voor zijn volk
vrede en rust het gevolg zijn; en als ik die bovendien zal hebben afgeleid uit
de algemeene eigenschappen der menschelijke natuur; dan zal niemand er aan twijfelen
dat bedoelde grondslagen de beste en de ware zijn; zooals blijkt uit §
9 Hoofdst. III en § 3 en 8 van 't vorige Hoofdst. Dat nu de door mij genoemde
grondslagen aan deze eischen voldoen, zal ik zoo kort mogelijk aantoonen.
§ 3. Dat het de plicht is van hem bij wien het gezag berust, altijd op
de hoogte te zijn van 's Rijks toestand en gesteldheid, voor aller welzijn te
zorgen en te bewerkstelligen al wat in 't belang is van de meerderheid zijner
onderdanen, zal wel niemand ontkennen.
Doch daar een enkeling niet alles kan nagaan, niet altijd met zijn ziel er bij
kan zijn en zich dwingen kan tot ernstig nadenken; aangezien hij dikwerf ook
door ziekte, ouderdom of andere redenen verhinderd wordt zich aan de openbare
zaak te wijden, is het noodzakelijk, dat een Vorst raadslieden hebbe die den
staat van zaken kennen, den Vorst van raad dienen, en dikwijls zijn plaats vervangen.
Alleen op deze wijze is het mogelijk, dat een Rijk of Staat altijd in een en
denzelfden geest geleid wordt.
§ 4. Dewijl het echter met de menschelijke natuur zoo gesteld is, dat
ieder zijn bijzonder belang met den meesten ijver zoekt te behartigen, en die
wetten het billijkst acht, die hem het meest geschikt schijnen om zijn belangen
te dienen en te bevorderen, maar zich het belang van zijn naaste slechts in
zoo verre aantrekt als hij meent daardoor tegelijkertijd zijn eigenbelang-te
dienen, zoo volgt daaruit dat het noodzakelijk is mannen in den Raad te kiezen,
wier bijzonder belang en voordeel met het gemeen welzijn en de rust van allen
nauw samenhangt. Het is dus duidelijk, dat indien men uit elke soort of klasse
van burgers eenige personen in den Raad kiest, al wat in dezen Raad de meeste
stemmen heeft verkregen voor het grootste deel der onderdanen nuttig zal zijn.
En al hoewel nu een Raad uit zulk een groot aantal burgers samengesteld onvermijdelijk
ook velen zal tellen die bijzonder weinig ontwikkeld zijn, zoo mag men toch
gerust aannemen dat ieder in zaken, die hij langen tijd met grooten ijver heeft
waargenomen, slim en geslepen genoeg is. Indien men derhalve niemand verkiest
die niet tot zijn 50e jaar zijn zaken met eere gedreven heeft, dan zullen allen
bekwaam genoeg zijn om raad te geven in zaken die hun eigen belangen raken,
vooral indien men hun in zaken van eenigzins grooter belang eenigen tijd tot
overweging gunt.
Daarbij bedenke men dat het er verre vandaan is, dat er in een uit weinige leden
samengestelden Raad, geen onkundigen zouden zijn. Veeleer bestaat meestal het
grootste deel van zulk een Raad uit dergelijke menschen, aangezien een ieder
het daarin er op toelegt medeleden te krijgen van weinig beteekenis, die geheel
aan zijne lippen hangen; wat in groote Vergaderingen niet voorkomt.
§ 5. Bovendien is het zeker, dat ieder liever regeert, dan geregeerd wordt.
Immers niemand staat uit eigen beweging zijn gezag aan een ander af, zooals
Salustius in zijn eerste rede tot Caesar zegt* Het is dan ook duidelijk dat
een volk uit eigen beweging de Regeering nooit aan enkele mannen of aan een
persoon zou opdragen, indien zij het met elkaar eens konden worden, en niet
steeds tengevolge der twisten, die meest altijd in groote Vergaderingen ontstaan,
met elkaar in strijd geraakten**. Zoodoende draagt het volk uit eigen beweging
aan den Vorst alleen dat op, waartoe het zelf volstrekt niet in staat is, n.l.
de beslechting van geschillen en de spoed in het handelen.
Want wat men ook dikwijls ziet gebeuren, dat een Vorst gekozen wordt ter wille
van een oorlog en wel omdat een Koning met veel meer geluk kan oorlogvoeren,
is eigenlijk een dwaasheid; aangezien men dan om gelukkiger in den krijg te
zijn, in vredestijd slaaf wil wezen; aangenomen dat er vrede denkbaar is in
een rijk waar het oppergezag alleen terwilie van den krijg aan een persoon is
opgedragen, welke derhalve zijn talenten en alles wat men van hem verwacht,
het best in den oorlog kan toonen; juist het tegendeel van de Volksregeering
waarvan dit het eigenaardige is, dat de goede eigenschappen daarvan veel meer
in vrede dan in oorlog uitkomen.
Doch om welke reden ook de Vorst verkozen worde, alleen kan hij, zooals wij
reeds zeiden, niet alles weten wat het belang des rijks vereischt; hiertoe is
het, zooals we in de vorige § zagen, volstrekt noodig, dat hij veel burgers
tot Raadslieden hebbe en daar wij ons geenszins kunnen voorstellen, dat over
een of andere aanhangige zaak iets belangrijks te zeggen zou zijn, wat aan een
zoo groot aantal menschen zou kunnen ontsnappen, zoo volgt dat men in 's volks
belang geen andere besluiten zou kunnen bedenken, dan de uitspraken welke uit
naam van dezen Raad aan den Koning worden voorgelegd. En daar nu het volkswelzijn
de hoogste wet is, d.i. het hoogste wat tot 's Konings bevoegdheid behoort,
volgt hieruit dat de Koning wél het recht heeft een van de meeningen
van den Raad uit te kiezen, maar niet iets tegen den zin van den geheelen Raad
vast te stellen of te besluiten. Zie § 25 van het voorgaande Hoofdstuk.
Moesten echter alle gevoelens die in den Raad werden uitgesproken, den Koning
worden voorgelegd, dan zou het kunnen gebeuren dat de Koning de kleine steden
die minder stemmen hebben, voortdurend begunstigde. Want al wordt ook bij de
instelling van den Raad bepaald, dat de verschillende meeningen zonder aanwijzing
van de voorstemmers den Koning worden voorgelegd, zoo kan men toch nooit geheel
en al voorkomen dat daarvan iets uitlekt en dus moet men noodwendig bepalen
dat elke meening die niet op zijn minst honderd stemmen op zich kan vereenigen,
van geener waarde wordt beschouwd; welke bepaling door de grootere steden met
kracht en geweld moet worden gehandhaafd.
-----
* Spinoza bedoelt hier den brief over de staatsinrichting, dien men vroeger aan Salustius toeschreef, zie bldz. 500 van de editie die in 1665 bij Hacke te Leiden uitkwam. (Aanleekening van Prof. Land).
** moet hier niet iret of irent gelezen worden? Vert.
§ 6. Nu zou ik, indien ik mij niet op beknoptheid toelegde, hier nog veel
meer voordeelen van dezen Raad kunnen aantoonen; thans echter zal ik er slechts
één aanvoeren, die mij van het hoogste gewicht schijnt te zijn.
En dit is, dat er geen sterker prikkel tot deugd kan bestaan dan de algemeen
gekoesterde hoop om dezen hoogsten eerepost te bekleeden. Want door eerzucht
worden alle menschen, meer dan door iets anders gedreven; zooals wij in onze
Ethica ruimschoots hebben bewezen*.
-----
* Eth. III 29. Def. 44 IV 58.
§ 7. Dat voorts de meerderheid van dezen Raad nooit oorlogszuchtig maar steeds vredelievend gezind zal zijn, is buiten twijfel. Want behalve dat de leden altijd bevreesd zullen zijn door den oorlog zoowel hun goederen als hun vrijheid te verliezen, komt nog hierbij dat er voor den oorlog buitengewone uitgaven noodig zijn waarin zij moeten voorzien, en tevens dat hun kinderen en verwanten, nu met de zorg voor hun zaken belast, in stede daarvan in tijden van oorlog gedwongen zijn zich toe te leggen op de hanteering der wapenen en uit te trekken in het veld, waarvan zij niets mede naar huis kunnen brengen dan verwondingen, waar men niets voor krijgt. Want aan de krijgsmacht moet, zooals wij in § 31 van het vorig Hoofdst. zeiden, geen soldij worden uitgekeerd en deze moet, zooals uit § 5 van hetzelfde hoofdstuk blijkt, alleen uit burgers metuitsluiting van alle vreemdelingen worden samengesteld.
§ 8. Ter bevordering van vrede en eendracht komt hierbij nog iets van groot aanbelang; dat niemand namelijk vaste goederen mag bezitten. (Zie § 12 van 't vorig Hoofdst.) Daardoor loopen allen bij een oorlog bijna evenveel gevaar. Allen drijven immers handel om winst te maken of leenen elkander onderling geld,, tenminste indien men, zooals eertijds bij de Atheners, een wet heeft gemaakt waarbij aan ieder verboden wordt geld op rente te geven aan anderen dan aan zijn medeburgers; derhalve zullen ze altijd zaken moeten doen die met elkaar nauw samenhangen, of althans van dezelfde omstandigheden afhankelijk zijn om zich te kunnen ontwikkelen en daarom zal de meerderheid van dezen Raad over de algemeene belangen en de kunsten van den vrede meestal eenstemmig denken, want ieder verdedigt, zooals wij in § 4 van dit Hoofdst. reeds zeiden, het belang van zijn naaste in zooverre als hij daardoor tevens zijn eigenbelang meent te verzekeren.
§ 9. Dat het overigens niemand ooit zal invallen dezen Raad door geschenken om te koopen, is boven allen twijfel verheven. Want indien men al uit zulk een groot aantal menschen den een of ander wist over te halen, dan was men daarmede nog niets verder gekomen; omdat, zooals wij zeiden, elk gevoelen, dat geen 100 stemmen op zijn minst op zich vereenigen kan, van geener waarde is.
§ 10. Dat bovendien de leden van dezen Raad, zoodra hij eenmaal is ingesteld,
niet tot een geringer aantal kunnen worden teruggebracht, zal ons duidelijk
worden indien wij slechts onze aandacht gevestigd houden op de algemeen menschelijke
gemoedsaandoeningen. Boven alles worden de menschen immers door eerzucht gedreven
en niemand is er die een gezond leven leidt of hij hoopt tot in hoogen ouderdom
zijn leven te behouden. Letten wij dus op het getal van hen die inderdaad hun
vijftigste of zestigste jaar hebben bereikt, en brengen wij daarbij in rekening
het groot aantal Raadsleden die jaarlijks gekozen worden, dan zullen wij inzien,
dat er onder hen die de wapenen dragen niemand is, die niet veel hoop kan koesteren
eenmaal tot deze waardigheid te zullen opklimmen; zoodoende zullen allen, zooveel
in hun vermogen is, elke inbreuk op de rechten van dezen Raad verhinderen. Want
men moet bedenken dat alle omkooperij gemakkelijk te voorkomen is, als zij maar
niet langzaam aan kan insluipen en daar het nu meer voor de hand ligt en minder
ijverzucht zal wekken, als men uit elke bevolkingsgroep dan uit enkele een kleiner
getal Raadslieden kiest of wel de een of ander geheel en al uitsluit; zoo zal
(§ 15 vorig Hoofdst.)* het getal Raadsleden niet beperkt kunnen worden
zonder het met een derde, vierde of vijfde deel te gelijk te verminderen; een
verandering, die waarlijk zeer belangrijk is, en dus ook buitengewoon afwijkend
van den gewonen loop van zaken. Bovendien heeft men ook niet van uitstel of
verzuim in het kiezen van nieuwe leden te vreezen, wijl hierin door den Raad
zelf wordt voorzien (zie § 16 vorig Hoofdst.)
------
* De oude uitgaaf heeft § 14.
§ 11. De Koning nu zal, hetzij uit vrees voor het volk of om de meerderheid
der gewapende burgerij aan zich te verbinden of wel gedreven door de edele gezindheid
om voor het algemeen belang te zorgen, altijd de meening huldigen die de meeste
stemmen verkregen heeft, d.w.z. (volgens § 5. v.d. Hoofdst.), die welke
in het belang is van het grootste deel van het rijk ; of* de afwijkende meeningen
die hem worden voorgelegd zoo mogelijk met elkaar trachten overeen te brengen
om allen te gelieven, waartoe hij al zijn kracht in het werk zal stellen en
om alle partijen zoowel in vredes als in oorlogstijd te doen gevoelen wat ze
aan hem hebben. En zoo zal hij, naarmate hij meer met het algemeene volkswelzijn
te rade gaat, het onbeperkst gezag voeren en het onafhankelijkst gebieden.
------
* Of is hier beter dan en, zooals in den tekst staat.
§ 12. Want alleen kan de koning immers nooit alle-burgers vrees inboezemen; zijn macht berust veeleer, zooals wij zeiden, op het aantal zijner manschappen en vooral op hun moed en hun trouw, welke trouw onder menschen altijd zoolang stand zal houden als een of ander gemeenschappelijk belang, hetzij van eerlijken hetzij van oneerlijken aard, hen aan elkander bindt. Niet zelden ziet men dan ook dat koningen hun benden veeleer aanhitsen tot losbandigheid dan in bedwang houden, veeleer hun gebreken dan hun deugden verschoonen en veelal om aanzienlijke mannen te kunnen onderdrukken, lediggangers en verdorven lieden opzoeken, onderscheiden, met geld of gunsten bijstaan, hun de hand drukken, kushanden toewerpen en uit heerschzucht allerlei laagheden begaan. Wil men dus dat de burgers door den Koning boven alle anderen worden ontzien, en dezen voor zoover de staatsregeling of de billijkheid dat toelaat, onafhankelijk blijven, dan is het volstrekt noodzakelijk dat het leger alleen uit burgers zij samengesteld en dezen zelf deel uitmaken van den Raad; terwijl laatstgenoemden daarentegen geheel en al afhankelijk worden en den grond leggen tot een onafgebroken oorlogstoestand, zoodra ze dulden dat er hulptroepen gehuurd worden, wier bestaan de oorlog is en wier grootste kracht in twist en tweedracht gelegen is.
§ 13. Dat de Koninklijke Raadslieden niet voor het leven moeten worden gekozen, maar voor 3, 4, of ten hoogste 5 jaren, blijkt zoowel uit § 10 van dit Hoofdst. als uit hetgeen wij in § 9 van ditzelfde Hoofdst. hebben gezegd. Want indien ze voor het leven werden gekozen, zoude in de eerste plaats het grootste deel der burgers bijna geen hoop kunnen voeden dien eerepost ooit te bekleeden, waaruit een zeer groote ongelijkheid onder de burgers en dientengevolge afgunst, voortdurende ontevredenheid en eindelijk oproer zou voortvloeien, al hetwelk heerschzuchtige koningen geenszins onwelkom zou wezen; maar bovendien zouden de Raadslieden zich dan allerlei ongepaste dingen veroorloven, aangezien ze dan volstrekt niet meer voor hun opvolgers bevreesd behoefden te zijn en dat wel zonder daarin door den Koning in het minst te worden belemmerd. Want hoemeer zij bij hun medeburgers gehaat zijn des te meer zullen zij zich hechten aan den koning en des te meer geneigd hem te vleien. Ja zelfs schijnt mij een tijdperk van 5 jaar nog te veel, dewijl het nog niet zoo geheel onmogelijk is in zulk een tijdsverloop een tamelijk groot deel van den Raad (hoe groot die ook zij) door geschenken of gunstbewijzen om te koopen. Men zal dus veel voorzichtiger doen indien jaarlijks twee afgevaardigden uit iedere groep aftreden en even zooveel hen opvolgen, (als er tenminste uit elke groep 5 raadsleden gekozen worden) behalve in dat jaar waarin de rechtsgeleerde van een district aftreedt, en er in zijn plaats een nieuwe gekozen wordt.
§ 14. Geen koning kan bovendien ergens meer veiligheid verwachten, dan
die in zulk een Staat als hier bedoeld is, regeert. Want behalve dat hij wien
zijn soldaten geen goed hart meer toedragen, terstond verloren is, dreigt koningen
altijd nog een zeer groot gevaar van de zijde van hen die hun naaste verwanten
zijn. Hoe minder de Raadslieden dus in aantal en hoe grooter in macht zij derhalve
zijn, des te grooter gevaar bestaat er voor den koning dat deze het gezag aan
een ander opdragen, Er was dan ook niets dat David zoo voel angst inboezemde
dan dat zijn eigen raadsman Achitophel zich bij de partij van Absolom had aangesloten.
Hierbij komt dat als alle gezag aan één man, zonder eenige beperking,
is opgedragen, dit veel gemakkelijker van den een op den ander overgaat. Eens
toch hebben twee vendrigs het gewaagd om het gezag over het Romeinsche rijk
van den een op den ander over te brengen, en het is hun gelukt (Tacitus, Gesch.Boekl
Hoofdst. 25). Om nu nog te zwijgen van allerlei kunstgrepen en listige streken
waardoor hovelingen er voor moeten waken dat ze niet aan den nijd ten offer
vallen, omdat ze hoog boven andren uitsteken, terwijl het aan niemand, die geschiedenis
leest, onbekend kan zijn dat trouw en toewijding den Hovelingen meestal noodlottig
is geweest, zoodat ze dan ook, als zij voor zichzelf willen zorgen, veeleer
geslepen dan trouw moeten zijn. Indien echter de Raadslieden zoo groot in aantal
zijn dat zij onmogelijk allen tot een en dezelfde misdaad kunnen worden verleid;
indien zij allen onderling gelijk in rang zijn en niet langer dan vier jaren
zitting hebben, behoeft de Koning hen in geen enkelopzicht te duchten, dan wanneer
hij zou willen pogen hun de vrijheid te ontnemen, waardoor hij alle burgers
te gelijk tegen zich in het harnas zou jagen*.
Zoo zegt dan ook Antonio Perez** zeer terecht: de uitoefening van een onbeperkt
gezag is voor den Vorst hoogst gevaarlijk, voor de onderdanen in hooge mate
grievend en strijdig met alle goddelijke en menschelijke instellingen, zooals
door tallooze voorbeelden te bewijzen is.
-----
* Spinoza doelt hier op Willem II.
** Jus publicum Ant. Perezii; Amst. 1657. Zie Hooft Ned. Hist. Derde Deel blz. 38 vlgg. Groningen 1844.
§ 15. Behalve de bovengenoemde hebben we in het vorig Hoofdst. nog andere grondbeginselen aangegeven, die den Koning een groote gerustheid voor zijn gezag en den burgers voldoende waarborgen geven voor het behoud van vrijheid en vrede; waarover wij achtereenvolgens zullen spreken. Voor alles toch heb ik datgene willen behandelen wat betrekking had op het voornaamste Regeeringslichaam en dus van het grootste gewicht is; thans zal ik ook de overige punten nagaan in de volgorde waarin ik ze heb vermeld.
§ 16. Dat de burgerij machtiger en dientengevolge zelfstandiger is naarmate zij grooter en beter versterkte steden heeft, lijdt geen twijfel; hoe veiliger toch de plaats is waarin zij wonen, des te beter kunnen zij hun vrijheid beschermen, des te minder behoeven zij voor buitenlandsche of binnenlandsche vijanden bevreesd te zijn, terwijl het mede vaststaat dat menschen meer zorg dragen voor hun veiligheid naarmate zij grootere rijkdommen bezitten. Steden echter die de hulp van een andere stad noodig hebben voor hun bestaan, hebben daarmede geen gelijke rechten; maar zijn in zooverre afhankelijk van die andere als zij haar hulp behoeven. Want dat ieders rechtsbevoegdheid geheel en al bepaald wordt door zijn macht; hebben wij in Hoofdst. 2 aangetoond.
§ 17. Om deze zelfde reden nu, opdat namelijk de burgerij onafhankelijk
blijve en haar vrijheid onverlet, moet het leger alleen uit burgers bestaan
zonder iemand daarvan uit te zonderen. Immers een gewapend man is meer zijn
eigen meester dan een ongewapende (zie § 12 van dit Hoofdst.) en zoodra
de burgers hun wapenen aan een ander hebben overgegeven en hem de bezetting
der stadsmuren hebben toevertrouwd, hebben zij al hun rechten aan een ander
afgestaan en verlaten zich geheel op diens goede trouw.
Niet minder aanbevelingswaardig is dit, uit het oogpunt der algemeen menschelijke
hebzucht, waardoor de meesten zich immers hoofdzakelijk laten leiden. Want hulptroepen
kunnen niet dan ten koste van veel geld gehuurd worden, en de burgers zijn bijna
niet in staat de lasten te dragen die vereischt worden om een nietsdoende krijgsmacht
op de been te houden. Dat overigens niemand tot Hoofd van het geheele leger
of een afdeeling daarvan moet benoemd worden* dan in den uitersten nood en hoogstens
voor één jaar, weten allen die de geschiedenis, zoowel de gewijde
als de ongewijde, gelezen hebben. Dit ligt overigens ook geheel in de rede.
Want men stelt immers de kracht van het Rijk geheel en al in handen van hem
wien men den tijd geeft grooten krijgsroem te behalen en zijn naam boven dien
des Konings te verheffen of zich de trouw van hel leger te verzekeren door voorkomenheid,
vrijgevigheid en allerlei andere kunstgrepen aan legerhoofden eigen en waardoor
zij anderen aan zich zoeken te onderwerpen en zichzelf tot heerschers op te
werpen. Eindelijk heb ik nog tot meerdere zekerheid van het geheele Rijk hierbij
gevoegd dat deze veldoversten gekozen moeten worden uit 's Konings Raadslieden
of uit hen die dit ambt vroeger hebben bekleed, d.w.z. uit menschen welke zulk
een leeftijd hebben bereikt, waarop ze meestal aan het bestaande en zekere boven
het nieuwe en gewaagde den voorkeur geven.
-----
* Ook hier blijkt weer dat "familia" een groote Volksafdeeling is, als men deze plaats beschouwd in verband met Hoofdst. VI § 10
§ 18. Dat de burgers onderling in groepen (families) moesten verdeeld worden en uit ieder daarvan een gelijk aantal Raadslieden gekozen moest worden, heb ik gezegd opdat de grootere steden naar gelang van de talsterkte hunner burgers meer raadslieden zouden hebben en zooals billijk is ook meer stemmen zouden kunnen uitbrengen. Want de invloed op de Regeering en dus ook het recht daarop moet afhankelijk zijn van het getal der burgers en ik geloof niet dat er een beter middel is te bedenken om deze verhouding onder de burgers te bewaren, daar zij allen van nature er op gesteld zijn, elk bij zijn eigen geslacht te worden gerekend en naar zijn afkomst van anderen te worden onderscheiden.
§ 19. Voorts kan men in den natuurstaat niets minder voor zich alleen
behouden en tot zijn eigendom maken dan den grond en alles wat in die mate aan
den grond gebonden is dat het nergens kan worden weggeborgen of willekeurig
kan worden verplaatst.
Daarom is de grond en al wat daaraan op bovengemelde wijze gebonden is, meer
dan iets anders gemeengoed der burgerij d.i. van allen die met vereende krachten
dien grond willen verdedigen* of van hem wien allen de macht gaven om dien grond
voor hen te kunnen verdedigen. Diensvolgens moet de grond en wat daarop staat
even zooveel waarde hebben voor de burgers als het onontbeerlijk voor hen is
dat zij ergens, een vaste woonplaats moeten hebben om hun gemeenschappelijke
rechten en vrijheden te verdedigen. Welke belangen hierin buitendien nog voor
den Staat zijn gelegen, hebben wij overigens reeds in § 8 van dit Hoofdstuk
aangetoond.
-----
* Deze zin is niet zeer duidelijk in den tekst. Zooals ik hem heb opgevat zou Spinoza ook in de Volksregeering, gemeenschap van vaste goederen verlangen.
§ 20. Om zooveel mogelijk de gelijkheid tusschen alle burgers te bevorderen, wat in eiken Staat van het hoogste belang is, moet niemand van adel geacht worden dan die van den Koning afstamt. Indien het echter aan alle afstammelingen des Konings veroorloofd was te huwen of kinderen te verwekken, dan zouden ze na verloop van tijd in grooten getale toenemen en den Koning zoowel als de burgerij niet alleen tot last zijn maar ook voortdurend vrees inboezemen; daar menschen die overvloed van tijd hebben, meestal booze plannen smeden. Dit nu heeft tengevolge dat Koningen veeltijds terwille hunner Edelen er toe komen om oorlog, te voeren, wijl Koningen die veel Edelen in hun omgeving hebben meer rust en vrede hebben in tijden van oorlog dan van vree. Dit alles laat ik als genoegzaam bekend verder rusten, evenals datgeen wat ik in § 15-27 van het vorig Hoofdstuk heb opgemerkt, daar het voornaamste daarvan in dat Hoofdst. is uiteengezet en het overige van zelf spreekt.
§ 21. Dat de rechters in zoo groote getale moeten zijn* dat een gewoon
burger onmogelijk een groot deel van hen door geschenken voor zich kan winnen,
- dat zij hun stemmen niet openlijk maar in het geheim moeten uitbrengen, -
en dat zij voor hun zittingen betaald moeten worden; is ook iedereen bekend.
Overal echter plegen ze een jaarlijksch inkomen te hebben; en dit heeft tengevolge
dat ze zich niet bijzonder haasten, om rechtsgedingen te beslechten en dat er
vaak aan de rechtszaken geen einde komt. Waar daarentegen verbeurdverklaring
van goederen tot de buitengewone inkomsten des Konings behoort, "daar wordt
dikwerf bij de indaging niet zoozeer recht en waarheid als wel het bedrag der
som die het geldt in het oog gehouden; allerwege komen aanklachten in, de rijkste
burgers zijn hem een welkome prooi, en al deze ergerlijke en onduldbare toestanden,
eens toegegeven in tijden van oorlog, blijven ook als het vrede is in zwang".**
Maar de hebzucht van rechters die toch maar voor twee of drie jaar op zijn hoogst
worden aangesteld, wordt door de vrees voor hun opvolgers getemperd; zonder
er nu nog van te spreken dat de Rechters geen. vaste goederen rnogen hebben;
maar hun geld, als ze er rente van willen trekken, aan hun medeburgers ter leen
moeten geven en zoodoende veeleer geneigd zijn hen te bevoordeelen dan ze te
benadeelen; vooral als die rechters, zooals wij zeiden, in grooten getale zijn.
------
* Zie § 27 van het vorige Hoofdstuk.
** Tacitus Gesch. II 84.
§ 22. Aan het leger, zeiden wij verder*, moet geen soldij worden uitgekeerd,
daar de grootste belooning voor den krijgsdienst de vrijheid is. In den Natuurstaat
toch tracht elk om zijn vrijheid alleen, zich zooveel hij kan te verweeren,
en verwacht geen ander loon voor zijn manhaftigheid dan zijn onafhankelijkheid.
In de burgerlijke samenleving echter zijn alle burgers te zamen te beschouwen
als de mensch in den natuurstaat en zorgen dus, wanneer ze allen voor dien staat
ten strijde trekken voor eigen veiligheid en eigen belangen. Raadsheeren. Rechters,
Schouten enz. zorgen echter meer voor anderen dan voor zich zelf en daarom is
het billijk aan hen een belooning voor hun bemoeiingen toe te kennen. Daarbij
komt dat er geen eervoller noch krachtiger spoorslag is tot overwinnen in den
krijg, dan het beeld der vrijheid. Indien daarentegen slechts een deel der burgers
tot den krijgsdienst wordt aangewezen, waardoor het tevens noodzakelijk wordt
hun een vast handgeld toe te kennen, zal de Koning dezen natuurlijk boven anderen
onderscheiden (zooals wij in § 12 van dit Hoofdstuk aantoonden) en dat
terwijl het menschen zijn, die niets anders verstaan dan vechten, in vredestijd
wegens gebrek aan bezigheid door losbandigheid den verkeerden weg opgaan, en
ten slotte uit armoede en getrek op niets anders zinnen dan op roof, binnenlandsche
onlusten en oorlogen, zoodat men dan ook genist kan zeggen dat zulk een Eenhoofdige
regeering eigenlijk een voortdurende oorlogstoestand is, waarbij de krijgslieden
alleen vrijheid genieten, maar de overige burgers in dienstbaarheid verkeeren.
---------
* Zie VI § 31.
§ 23. Wat wij in § 32 van het vorige Hoofdst. over het opnemen van vreemdelingen onder de burgers opmerkten, spreekt, geloof ik, vanzelf. Bovendien zal wet niemand het betwijfelen dat zij die 's Konings bloedverwanten zijn, verre van hem verwijderd moeten wezen, en zich niet met krijgszaken maar met de werken des vredes moeten bezighouden; hetgeen hun zelf tot eer en aanzien en het rijk tot rust zal strekken. Toch schijnt zelfs deze maatregel den Heerschers der Turken niet veilig genoeg geweest te zijn; weshalve zij zich ten plicht gesteld hebben, al hun broeders om te brengen. En dit behoeft ons geenszins te verbazen; want hoe onbeperkter het regeeringsgezag aan één man is opgedragen, des te gemakkelijker kan het (als. wij in § 14 van dit Hoofdst. hebben aangetoond) van den een op den ander worden overgedragen. Dat overigens in een Alleenheerschappij als wij ons hier hebben gedacht, waarin namelijk geen enkele huursoldaat is, op de door ons omschreven wijze, voldoende voor 's Konings veiligheid gezorgd is, is buiten twijfel.
§ 24. Ook wat door ons in § 34 en 35 van het vorige Hoofdst. gezegd
is, is aan geen redelijken twijfel onderhevig. Gemakkelijk ook is het te bewijzen
dat de-Koning geen vreemde vrouw moet huwen. Want behalve dat twee Staten ook
al zijn ze door een verdrag met elkander verbonden, toch in staat van vijandschap
verkeeren (zie § 14 Hoofdst. 3) moet men er bovenal voor zorgen, dat er
geen oorlog ontstaat wegens familieaangelegenheden des Konings; en daar de meeste
twisten en verdeeldheden ontspruiten uit bondgenootschappen, die op huwelijken
berusten*, welke vraagstukken tusschen Staten meest door geweld van wapenen
worden uitgemaakt, volgt daaruit, dat het verderfelijk is voor een rijk, (zulk)
een nauw verbond met een ander te sluiten**. Een noodlottig bewijs hiervan lezen
we in de Schrift: want toen Salomo, die een dochter van den koning van Egypte
ten huwelijk had genomen, gestorven was, voerde zijn zoon Rehabeam een zeer
ongelukkigen oorlog met Susak (Susan) den koning der Egyptenaars, door wien
hij volkomen verslagen werd.***
Zoo werd ook het huwelijk van Lodewijk XIV, den koning der Franschen met de
dochter van Philips IV de oorzaak van een nieuwen krijg; en zijn hiervan bovendien
nog vele andere voorbeelden in de geschiedenis te vinden.
--------
* Ten minste in Spinoza's tijd.
** Vele dezer beschouwingen zijn toepasselijk op de verbindtenissen van Willem II en Willem III met het Engelsen koningshuis.
*** 1 Kon. 14: 25 in Ketib. (Aanteekening van Prof. Land).
§ 25. De uitwendige gedaante van het Rijk moet altijd een en dezelfde
blijven en dus moet er één Koning, deze altijd van hetzelfde geslacht
en het rijk ondeelbaar zijn. De reden waarom ik gezegd heb dat de oudste zoon
des Konings zijn vader rechtens opvolgt, of (indien hij kinderloos sterft) 's
Konings naaste bloedverwant, blijkt uit § 13 van het vorig Hoofdst. zoowel
als uit de overweging dat de keuze eens konings, eenmaal door het volk gedaan,
als het mogelijk is, onveranderd moet blijven. Anders zal het noodwendig dikwerf
gebeuren dat het hoogste gezag weer komt in handen van het volk, de grootste
verandering die men zich denken kan, en daarom ook de allergevaarlijkste.
Wie echter beweren dat de Koning omdat hij Heer van het rijk is, en daarover
onbeperkt gezag voert, zulks over kan dragen op wien hij wil, en tot opvolger
benoemen wien hij verkiest, en dat zoodoende 's konings zoon rechtens het rijk
erft, bedriegen zich inderdaad. Want 's Konings wil heeft zoolang kracht van
wet als hij het Rijkszwaard voert; de rechtsgrond van elk gezag rust alleen
op de macht van den gezaghebbende. De koning kan dus wel afstand doen van het
gezag maar het niet aan een ander overdragen dan met goedvinden van het volk
of het krachtigste deel daarvan.
Om dit nog duidelijker te doen uitkomen, bedenke men dat kinderen niet volgens
natuurrecht, maar volgens staatsrecht erfgenamen van hun ouders zijn; aangezien
het alleen aan de macht van den Staat is te danken, dat iemand eenig goed in
eigendom bezit, zoodat door dezelfde macht of krachtens hetzelfde gezag waardoor
de beschikking van iemand over zijne goederen wordt erkend, die beschikking
ook na zijn dood rechtsgeldig blijft, zoolang de Staat in wezen blijft. Op die
wijze is het mogelijk dat ieder die in een geordenden staat leeft, het recht
dat hij tijdens zijn leven had ook na zijn dood behoudt, aangezien hij, als
gezegd is, in staat is, niet uit eigen machtsvolkomenheid maar alleen krachtens
den wil van den Staat die eeuwig is, sommige bepalingen te maken betreffende
zijne goederen. Met den Koning echter is het een geheel ander geval; want 's
Konings wil is zelf het Staatsrecht, en de Koning is de Staat zelf*. Is de Koning
dus gestorven dan heeft in zekeren zin ook de Staat opgehouden te bestaan, en
keert de geregelde orde van zaken weer terug tot den natuurstaat. Het hoogste
gezag komt dus van zelf weer bij het volk, en dit kan derhalve met volle recht
nieuwe wetten geven en oude afschaffen. En zoo blijkt dat niemand den Koning
rechtens kan opvolgen dan wien het volk tot zijn opvolger verkiest, of in een
Gods-regeering als de Staat der Hebreen eertijds was, degeen dien God door Zijn
profeet had uitverkoren. Ook zou dit hieruit af te leiden zijn, dat 's Konings
zwaard of zijn recht, inderdaad niets is dan de wil van zijn volk, of althans
van het krachtigste deel daarvan; of ook wel hieruit te bewezen dat met rede
begaafde menschen nooit zoo volkomen afstand doen van hun recht dat zij ophouden
menschen te zijn en geheel als kuddedieren kunnen beschouwd worden; doch het
is niet noodig hierop verder in te gaan.
------
* "L'Etat, c'est moi", zei Lodewijk XIV.
§ 26. Wat overigens de vrijheid van godsdienst betreft, of het recht om God te eeren zooals men wil, dit kan niemand op een ander overdragen. Hierover hebben wij evenwel in de beide laatste hoofdstukken van het Godgeleerd Staatkundig Vertoog uitvoerig gesproken, en het is dus overbodig dit hier te herhalen
------
In het voorgaande heb ik de grondtrekken eener volmaakte Alleenheerschappij, al is het dan ook kort, toch duidelijk genoeg, naar ik meen, uiteengezet. Hun samenhang of het verband der onderdeelen van het rijk zal ieder gemakkelijk kunnen ontdekken, die ze allen te zamen eenigszins aandachtig wil beschouwen. Het eenige wat ik nog moet doen opmerken is dat ik mij hier een Alleenheerschappij heb gedacht die door een vrij volk ingesteld wordt. Daarvoor alleen kunnen deze beschouwingen van nut zijn, want een volk dat eenmaal aan een anderen regeeringsvorm gewend is, zal nooit zonder groot gevaar voor zijn bestaan, de erkende grond slagen van den Staat omverhalen en zijn geheele Staatsinrichting wijzigen.
§ 27. Alles nu wat wij hier ter neder schreven, zal wellicht belachelijk voorkomen aan hen die de-gebreken welke alle menschen eigen zijn, alleen tot het grauw beperken; van oordeel dat het gemeene volk geen maat kent, dat het woedt en raast, als het niet siddert van vrees, dat het laaghartig kruipt of overmoedig heerschen wil, dat het geen waarheid erkent en geen oordeel heeft enz. Toch hebben alle menschen denzelfden aard gemeen. Wij laten ons alleen door uiterlijk aanzien en zekere beschaving verblinden en van daar komt het, dat wij vaak, als twee menschen hetzelfde doen, zeggen dat de een dit straffeloos mag doen en de ander niet; niet omdat de daad maar de dader verschillend is. Trotschheid is een eigenschap van allen die regeeren. Menschen die slechts voor één jaar een ambt bekleeden verhoovaardigen zich daarop, wat kan men dan niet verwachten van edelen, die sinds onheugelijke tijden eereposten bekleeden. De verwatenheid van dergelijke menschen wordt evenwel door een zekere fierheid, prachtlievendheid en vrijgevigheid, door de volledige samenstemming hunner gebreken, door een zekere bestudeerde dwaasheid en bevallige verdorvenheid verguld; zoo zelfs dat hun gebreken, die elk op zichzelf beschouwd afschuwelijk en schandelijk zijn, omdat ze dan het duidelijkst uitkomen, aan onervarenen en onkundigen eerbaar en welvoegelijk schijnen. Het volk kent overigens geen maat en het pleegt geweld als het niet door vrees in bedwang wordt gehouden, omdat vrijheid en dienstbaarheid nu eenmaal moeielijk te vereenigen zijn. Ook behoeft men zich niet te verbazen dat het mindere volk de waarheid niet inziet en geen oordeel kan vellen, wanneer de belangrijkste rijksaangelegenheden buiten hen om worden behandeld en het niets kan doen dan enkele gissingen maken uit het weinige dat men niet voor hen geheim kan houden. Zijn oordeel op te schorten is een deugd die zelden voorkomt; en daarom is het ook de grootste dwaasheid, om alles buiten de burgers om te willen behandelen en tevens te verlangen dat zij daarover geen verkeerd oordeel vellen, noch alles verkeerd uitleggen. Want bijaldien het gemeen in staat was zich te beheerschen, over te weinig bekende zaken zijn oordeel op te schorten, of uit weinige gegevens een juist oordeel over de zaken uit te spreken, dan zou het immers veeleer verdienen te regeeren dan geregeerd te worden. Maar bovendien, als gezegd, alle menschen hebben een en dezelfde natuur: zijn trotsch op hun gezag; boezemen anderen vrees in als ze zelf geen vrees behoeven te koesteren; terwijl overal aan de waarheid wordt te kort gedaan door hen die vervolgd en benadeeld worden, vooral daar waar een of weinigen regeeren, die bij het gerechtelijk onderzoek niet recht en waarheid, maar alleen wat er bij te verdienen valt, in het oog houden.
§ 28. Voorts plegen beroepssoldaten (of soldeniers), gewend als zij zijn
aan krijgstucht en gehard tegen koude en gebrek, minachtend neer te zien op
den burgerweer, als veel minder geschikt voor belegeringen of den strijd in
het open veld. Maar dat ons Rijk daarom ongelukkiger zou zijn of minder duurzaam,
zal niemand die gezond verstand heeft, ooit beweren. "Veeleer zal niemand
die de zaken onpartijdig beziet, ontkennen dat zulk een Rijk het aller duurzaamst
is, dat niets kan doen dan zich in zijn bezit te handhaven, maar niet sterk
genoeg is om het bezit van anderen te begeeren*, dat derhalve op allerlei wijze
den oorlog zoekt te ontwijken en den vrede te handhaven.
-----
* Er bestaat een Lat. spreekwoord: Amittit merito proprium qui alienum adpetit. Misschien doelt hierop Spinoza's gezegde.
§ 29. Gaarne geef ik toe dat het bijna onmogelijk is de plannen van een
rijk als 't door ons bedoelde geheim te houden. Maar tevens zal ieder het met
mij eens zijn, dat het veel beter is dat de rechtvaardige besluiten van een
of ander rijk aan de vijanden daarvan worden medegedeeld, dan dat de verkeerde
geheime raadslagen van dwingelanden voor de burgers van het rijk verborgen blijven.
Wie de aangelegenheden van een rijk in 't geheim kunnen behandelen, hebben dit
ook volkomen in hun macht, en belagen de burgers in tijden van vrede, niet anders
dan den vijand in oorlogstijd, Dat geheimhouding een regeering dikwerf ten goede
komt, kan niemand ontkennen; maar dat zonder haar een rijk niet zou kunnen bestaan
zal ook niemand ooit kunnen bewijzen. Aan den anderen kant is het echter onmogelijk
aan een man het bewind van zaken zonder eenig voorbehoud toe te vertrouwen en
tegelijk zijn vrijheid te behouden; en zoodoende zou* men dwaas handelen zich
zelf het grootste kwaad op den hals te halen om een gering nadeel te ontgaan.
Toch was dit altijd het liedje van hen die streefden naar onbeperkt gezag, dat
het van zoo overwegend belang voor den Staat was, zijn aangelegenheden in 't
geheim te behandelen; en meer dergelijke beweringen die hoe meer zij schijnbaar
strekken tot voordeel van den Staat, des te zekerder uitloopen op verfoeielijke
slavernij.
-----
* Ik lees bier esset.
§ 30. En al is nu, om hiermede te eindigen, voor zoover ik weet, nog nooit
eenig Rijk onder al de door ons genoemde voorwaarden opgericht*, zoo zouden
wij toch ook uit de ervaring** bewijzen kunnen dat deze vorm van Eenhoofdig
Bewind de beste is, indien wij ons oog wilden vestigen op de oorzaken van het
behoud en den ondergang van alle beschaafde Rijken. Dit zou ik echter niet kunnen
doen zonder daarmede den lezer geweldig te vervelen; toch wil ik één
voorbeeld dat mij bijzonder opmerkenswaardig voorkomt niet met stilzwijgen voorbijgaan,
en dat is namelijk het Rijk der Arragoniërs, die met bijzondere trouw aan
hun koningen waren gehecht en met niet minder standvastigheid 's rfiks instellingen
ongeschonden bewaarden. Want zoodra zij zich het slavenjuk der Mooren van de
schouders hadden geschud, besloten ze een koning te kiezen en toen ze het niet
eens konden worden op welke voorwaarden, kwamen ze overeen hieromtrent den Roomschen
Hoogepriester om raad te vragen. Deze, zich hierin geheel en al als stedehouder
van Christus gedragende, berispte hen dat ze niet genoeg schenen te hebben aan
het waarschuwend, voorbeeld der Hebreen en zoo vast besloten waren een koning
te zoeken; indien ze echter hun plan niet wilden laten varen, raadde hij hun
geen koning te kiezen dan na te voren allezins billijke en met den volksaard
strookende instellingen te hebben aangenomen, en daarbij vooral een Opperraad***
te kiezen, die evenals de Ephoren te Lacedaemon tegenover den koning zou staan,
en onbeperkte volmacht zou hebben, om alle oneenigheid die tusschen den Koning
en de burgers mocht rijzen, uit den weg te ruimen. Dezen raad volgend, maakten
ze allerlei bepalingen die hun het meest gepast voorkwamen, wier opperste tolk
en dientengevolge ook handhaver in hoogste beroep niet de Koning maar genoemde
Raad zou zijn, dien zij den Raad der Zeventienen noemen, en wiens voorzitter
Justitia heet. Deze Justitia en deze Zeventienen, niet bij stemming maar bij
het lot en voor het leven gekozen, hebben dus het volste recht alle vonnissen,
door andere Regeeringslichamen zoowel wereldlijke als geestelijke of zelfs door
den Koning uitgesproken, te herroepen en te vernietigen; zoodat ieder burger
het recht had zelfs den Koning voor deze rechtbank te dagen. Bovendien hadden
ze eertijds ook het recht den Koning te kiezen en van zijn macht te berooven;
maar na verloop van een aantal jaren wist Koning Don Pedro, bijgenaamd "de
Dolk" door kuiperijen, geschenken, beloften en allerlei soort van vleierijen
eindelijk te bewerken, dat dit recht werd afgeschaft - waarbij hij, zoodra hem
dit werd toegestaan, in aller tegenwoordigheid zich met een dolk de hand afsloeg
of, wat ik eerder geloof, verwondde, zeggende: dat het (voortaan) den onderdanen
niet vrij zou staan een koning te kiezen dan ten koste van koninklijk bloed
- echter alleen onder deze voorwaarde "dat zij ten allen tijde de wapenen
mochten opnemen tegen elken geweldenaar, die de regeering wilde bemachtigen
ten hunnen nadeele, ja zelfs tegen den Koning en zijn toekomstigen erfgenaam,
als zij op die wijze zich van de regeering wilden meester maken." Door
deze voorwaarde werd het vroegere recht niet zoozeer afgeschaft dan wel nauwkeuriger
omschreven.
Want een Koning kan, zooals wij in § 5 en 6 van Hoofdst. 4 aantoonden,
nooit volgens staatsrecht, maar alleen door oorlogsrecht van zijn gezag ontheven
worden, zoodat de onderdanen niet anders dan met geweld zich tegen zijn onderdrukking
kunnen verzetten. Bovendien hadden de Arragoniers nog andere bepalingen. gemaakt,
die echter hier niet ter zake doen. Nadat nu deze instellingen met algemeen
goedvinden waren aangenomen**** bleven zij een ongeloofelijk langen tijd ongeschonden
van kracht, daar zoowel de Koningen jegens de onderdanen als de onderdanen jegens
den Koning hun beloften trouw nakwamen. Doch toen het rijk van Castilië
bij erfenis aan Ferdinand toeviel, die het eerst van allen "de Katholieke"
werd genoemd, begon deze vrijheid der Arragoniërs den Castellanen te ergeren,
die daarom Ferdinand voortdurend aanraadden, die rechten af te schaffen. Deze
echter, nog niet aan onbeperkte heerschappij gewend, durfde dit niet te wagen
en antwoordde zijn raadslieden het volgende : dat hij vooreerst de regeering
van Arragonië op de hun bekende voorwaarden had aanvaard en plechtig gezworen
had die te handhaven, en dat het dus onedel zou zijn die belofte te breken;
maar dat hij bovendien overtuigd was, dat zijn Rijk stand zou houden zoolang
de veiligheid van den koning even groot was als die der onderdanen, zoodat 's
konings macht niet zwaarder woog dan die der onderdanen, en die der onderdanen
niet zwaarder dan die van den Koning; want zoodra een der partijen de overhand
verkreeg, zou de zwakste partij niet alleen de vorige gelijkheid weer trachten
te herstellen, maar uit spijt over het geleden verlies dit ook op de andere
zoeken te verhalen, waarvan de ondergang van een van beide of van beide het
gevolg zou zijn."
Over welke verstandige woorden ik mij niet genoeg zou kunnen verbazen, indien
zij niet waren uitgesproken door een koning die niet over slaven maar over vrije
mannen gewoon was te regeeren. Dus behielden de Arragoniërs hunne vrijheid
niet meer als een recht maar door de gunst van machtiger koningen tot op Philippus
II, die hen met meer geluk wel is waar, maar niet minder wreed onderdrukte*****
dan de Geunieerde Gewesten.****** En ofschoon Philips III alles op den ouden
voet schijnt hersteld te hebben, zoo hielden de Arragoniërs, dewijl de
meesten door de zucht om de grooten der aarde te vleien (want het is immers
dwaas de verzenen tegen de prikkels te slaan) en de overigen door vrees waren
bevangen, niets over van hun vrijheid dan schoonklinkende woorden en ijdele
vormen.
-----
* Spinoza heeft hier een soort van grondwettig koningschap geleerd, dat destijds bijna niet bekend was.
** Voor Spinoza is de ervaring gelijk aan de geschiedenis.
*** Concilium Supremum.
**** Hier heb ik "instructis" gelezen.
***** Zie de Geschiedenis hiervan bij Hooft, Vaderl. Historiën 3de Deel 12de Boek; in de uitgave van Hecker blz. 44.
****** Letterlijk staat er "dan de Provinciën der Verbondenen."
§ 31. En zoo komen wij tot het besluit, dat een volk zich een voldoende mate van vrijheid ook onder een koninklijke regeering kan verzekeren, mits het slechts zorgt, dat 's konings macht alleen van de macht van het volk afhankelijk is en niet dan met behulp des volks in stand kan worden gehouden. Dit was dan ook de eenige Regel, dien ik gevolgd heb bij het ontwerpen van de grondwet eener Eenhoofdige Regeering.