HOOFDSTUK VI.
(OVER DE ALLEENHEERSCHAPPIJ).
§ 1. Daar de menschen, zooals wij zeiden, meer door hun Gevoel dan door de Rede geleid worden, volgt daaruit dat een volk niet, tengevolge van redelijk overleg maar door een zekeren algemeenen en natuurlijken aandrang vereenigt, en zich door één geest als 't ware wil laten leiden; hetzij (zooals in § 9 Hoofdst. III is opgemerkt) door gemeenschappelijke hoop of vrees, of door de begeerte om eenig gemeenschappelijk leed te wreken, gedreven. Daar nu de vrees voor eenzaamheid allen menschen is ingeschapen, dewijl niemand in de eenzaamheid krachten heeft om zich te verdedigen en zich te verschaffen wat hij voor zijn levensonderhoud behoeft, zoo volgt daaruit, dat de menschen van nature naar Staatsgemeenschap verlangen en dat het onmogelijk is dat de menschen dien ooit geheel afschaffen.
§ 2. Het gevolg van partijtwisten en oproeren die dikwerf in de Staten voorkomen, is dus nooit dat de burgers den Staat ontbinden (zooals in vereenigingen van anderen aard vaak voorkomt) maar alleen dat ze den vorm daarvan veranderen, indien de strijd althans niet met behoud van den ouden Staatsvorm kan worden bijgelegd. Daarom reken ik ook onder de middelen die vereischt worden om een Rijk in stand te houden, die, welke noodig zijn om denzelfden regeeringsvorm, zonder dien eenige verandering van beteekenis te doen ondergaan, onveranderd te behouden.
§ 3. Indien het nu met 's menschen natuur zoo gelegen was, dat zij allen
het meest verlangden naar hetgeen voor hen het beste was, dan was het geen kunst
hen tot eendracht en goede trouw te bewegen; daar het echter duidelijk blijkt
dat het geheel anders geschapen staat met de menschelijke natuur, is men wel
genoodzaakt de regeering zoo in te richten dat allen, zoowel die regeeren als
die geregeerd worden, doen wat in 't algemeen belang is of ze willen of niet;
d.i. zoo, dat allen uit eigen beweging, hetzij door dwang hetzij door innerlijken
aandrang genoodzaakt zijn zich als redelijke wezens te gedragen; en dit geschiedt,,
indien men de rijkszaken zoo inricht dat niets, wat het algemeen belang betreft,
volkomen aan de goede trouw van een enkel man wordt overgelaten.
Want niemand is zoo wakker of hij slaapt wel eens, en niemand heeft ooit zulk
een krachtig en onkreukbaar gemoed gehad, of het is wel eens, en juist wanneer
men 't meest behoefte aan geestkracht had, aan 't wankelen gebracht en medegesleept
geworden. Is het dan ook inderdaad geen dwaasheid van een ander te eischen,
wat niemand ooit van zichzelf zou kunnen verkrijgen; namelijk meer voor een
ander dan voor zichzelf te zorgen, niet hebzuchtig, niet afgunstig, niet eerzuchtig
enz. te zijn en dat vooral als men dagelijks aan de grootste verzoekingen tot
die hartstochten is blootgesteld.
§ 4. Hiertegenover staat echter dat de ervaring schijnt te leeren dat het in het belang van vrede en rust is alle gezag aan één man op te dragen. Geen rijk immers is zoolang zonder eenige noemenswaardige verandering in stand gebleven, als dat der Turken, terwijl daarentegen geen staten korter van duur waren, dan de volks- of Democratische regeeringen, geene ook, waar zooveel oproeren voorkwamen. Als men echter slavernij, barbaarschheid en afzondering van alle beschaving vrede wil noemen, dan bestaat er voor den mensch niets ellendiger dan de vrede. Het is niet tegen te spreken dat er tusschen ouders en kinderen meerdere en bitterder oneenigheden plegen voor te komen dan tusschen heeren en knechten, en toch zou het niet in 't belang van de huishouding zijn, het ouderlijk recht in een heerlijk recht te veranderen en kinderen als slaven te beschouwen. Het is dus wel voor de slavernij maar niet voor den vrede bevorderlijk alle macht aan een mensch op te dragen; want vrede bestaat, zooals wij reeds zagen, niet in ontstentenis van twist maar in eendracht en eensgezindheid.
§ 5. Inderdaad, zij die het mogelijk achten dat een enkel mensch het hoogste Staatsgezag alleen in handen houdt, bedriegen zich ten eenenmale. Want, zooals door ons in Hoofdstuk II is aangetoond, wordt de omvang van iemands recht alleen bepaald door zijn macht. De macht van een mensch is echter bij lange na niet in staat zulk een last te dragen. En zoo komt het dat hij, die door het volk tot koning is verkozen, weldra weer voor zichzelf Bestuurders zoekt, of Raadslieden of vrienden aan wien hij zijn eigen en aller belang toevertrouwt; zoodat elk rijk dat voor volstrekt eenhoofdig gehouden wordt, inderdaad en in werkelijkheid niets dan een veelhoofdige regeering is; wel niet openlijk, maar in 't geheim en daarom juist zeer verkeerd. Hierbij komt, dat een koning als hij nog kind, ziek of zwak van ouderdom is, koning is bij de genade van anderen en de oppermacht eigenlijk berust in handen van hen die de rijkszaken besturen of in 's konings naaste omgeving verkeeren; om nog niet eens te spreken van het geval waarin de Koning, aan wellust verslaafd, alles dikwerf regelt naar de grillen van een of ander vrouwelijke of mannelijke wellusteling. Ik had wel eens gehoord, zegt Orsines, dat in Azië eertijds vrouwen hadden geregeerd; maar dat een gesnedene regeert, is iets nieuws voor mij. (Curtius Boek I Hoofdst. I.)
§ 6. Bovendien staat het vast dat een Staat altijd meer gevaar te duchten heeft van den kant zijner burgers dan van dien zijner vijanden; want brave menschen zijn zeldzaam. Dit heeft tengevolge dat hij aan wien men het volle Staatsgezag heeft toevertrouwd altijd zijn medeburgers nog meer dan zijn vijanden zal vreezen en dientengevolge op eigen behoud bedacht, niet voor het welzijn van zijn onderdanen zal trachten te waken maar hen veeleer zal belagen; dezulken vooral die wegens hun schranderheid beroemd zijn of door hun rijkdom overwegenden invloed hebben.
§ 7. Daarbij bedenke men dat Koningen zelfs hun zonen veeleer vreezen dan liefhebben en dat wel te meer naar mate zij ervarener zijn in de kunsten van vrede en oorlog en om hun verdiensten hooger staan aangeschreven bij de ingezetenen. Hetgeen tengevolge heeft dat ze er zich op toeleggen hun zulk een opvoedingte geven dat alle reden tot vrees verdwijnt. Hierin staan de hovelingen den koning ijverig ter zijde en zullen zich beijveren om te zorgen dat zij in 's konings opvolger een onbeschaafd mensch krijgen, dien zij met list naar hun zin kunnen leiden.
§ 8. Uit dit alles volgt, dat een Koning des te minder zelfstandig en de toestand der onderdanen des te ongelukkiger is, hoe onbeperkter de oppermacht in den Staat aan hem is opgedragen, zoodat het, om een eenhoofdig bewind behoorlijke duurzaamheid te verzekeren, van het hoogste belang is, stevige grondslagen te leggen waarop het zal worden gevestigd; van welke grondslagen de veiligheid van den alleenheerscher zoowel als de rust der bevolking moet af hangen, in dier voege dat de Vorst te meer gezag heeft, naarmate hij ijveriger waakt voor het welzijn des volks. Welke nu deze grondslagen van den eenhoofdigen regeeringvorm zijn, zal ik eerst kortelijk uiteenzetten terwijl ik ze daarna naar volgorde behandelen zal.
§ 9. Eerst moet men een of meer steden stichten en met muren voorzien,
waarvan alle burgers, onverschillig of zij binnen de muren of ter wille van
den landbouw daarbuiten wonen, dezelfde staatsburgerlijke rechten moeten bezitten,
onder die voorwaarde echter, dat elke stad een zeker aantal burgers moet aanwijzen
tot haar eigen verdediging en die van het land. Wie dat niet kan bijbrengen
komt in een geheel anderen toestand en moet als afhankelijk worden beschouwd.*
--------
* Vermoedelijk als de Generaliteitslanden, of de stad Utrecht in 1673.
§ 10. De krijgsmacht moet alleen uit burgers worden samengesteld, en dat
wel zonder iemand daarvan vrij, te stellen*. Derhalve moeten allen verplicht
worden zich wapenen aan te schaffen en niemand als burger worden ingeschreven
dan nadat hij zich het hanteeren der wapenen heeft eigen gemaakt en beloofd
heeft zich op zekere tijden van het jaar daarin te oefenen. Nadat alsdan de
soldaten van elke volksafdeeling (familia) in vendels (cohorten) en legerscharen
(legioenen) zijn verdeeld, moet men geen hoofdman kiezen dan die den vestingbouw
kent.** Hoplieden en legerhoofden (kolonels in den tijd van de Witt. Vert.)
moeten voorts voor hun leven gekozen worden, maar wie de geheele krijgsmacht
van een volksafdeeling*** in den oorlog aanvoert moet slechts voor een jaar
tot dien rang verheven worden en evenmin in het opperbevel worden bestendigd
als later daartoe weer verkiesbaar zijn. Zulke mannen moeten gekozen worden
uit de Raadslieden des Konings (waarver in art. 15 en vlgg. wordt gesproken)
of uit hen die dat ambt vroeger hebben waargenomen.
------
* In de Republiek der Vereenigde Nederlanden waren de Mennonieten hier en daar vrijgesteld; op voorwaarde dat ze eenige schavergoeding betaalden. De volksgeest kwam echter vaak hiertegen in verzet.
** Het kwam in Spinoza's tijd hoofdzakelijk op de verdediging van steden aan. Het hoofd van een vendel heette in de Witts tijd, hoofdman. De krijgsmacht van den Staat bestond uit de schutterij der steden; in het veld gebruikte men huurlingen of soldaten.
*** familia kan ook zijn = Gens en daarmede bedoelt Huijgens de Provinciën. Men zou hier kunnen denken aan den Stadhouder als legerhoofd van een provincie.
§ 11. Alle stedelingen en landbouwers (de in- en opgezetenen), dat zijn
dus alle Burgers moeten in Afdelingen (Districten) verdeeld worden, die door
een of anderen naam en een of ander krijgsteeken van elkander onderscheiden
moeten worden,* en allen die in een dezer afdeelingen geboren worden, moeten
als burgers worden aangenomen en hun namen op de rol hunner afdeeling worden
ingeschreven, zoodra ze den leeftijd hebben bereikt dat ze de wapenen kunnen
dragen en beseffen kunnen wat hun plicht is; met uitzondering evenwel van allen
die eerloos zijn wegens een of ander misdrijf door hen begaan; van hen die stom
of krankzinnig zijn of dienstbaar zijn en door een of andere ondergeschikte
betrekking in hun levensonderhoud voorzien.
-----
* In de steden had men roode, witte, blauwe en oranje Vendels, naar wijken (familiae) afgedeeld.
§ 12. Alle akkers zoowel als de grond, en zoomogelijk ook de huizen moeten (gemeengoed) staatseigendom zijn, namelijk van hem die regeert, en door dezen voor een jaarlijkschen huurprijs aan de burgers d.i. aan stedelingen en landbouwers verhuurd worden; overigens moeten in vredestijd allen van alle opbrengsten en belastingen vrijgesteld zijn. Een gedeelte van bovengemelde huuropbrengst wordt voor de weermiddelen van den Staat; een ander gedeelte voor het huis des Konings bestemd. Want al is het vrede, toch moet men de steden altijd versterken alsof het ten oorlog ging en bovendien oorlogsschepen en oorlogstuig in gereedheid houden.
§ 13. Is er nu uit een of andere Volksafdeeling-(of stam) een Koning gekozen, dan moet niemand als van adel worden aangemerkt dan die van koninklijken bloede is. Deze personen moeten te dien einde door koninklijke onderscheidingsteekenen van hun eigen en alle overige afdeelingen onderscheiden worden.
§ 14. Adellijke bloedverwanten des konings van het mannelijk geslacht, die den regeerenden vorst in denderden of vierden graad van bloedverwantschap bestaan, moet men verbieden te trouwen; en hebben zij kinderen verwekt, dan moeten die voor onwettig gehouden worden en ongeschikt om eenig eereambt te bekleeden; ook mogen ze niet als erfgenamen hunner vaders worden erkend maar moeten dezer goederen weer aan den koning vervallen.
§ 15. Voorts moeten 's Konings Raadslieden die het naast aan den troon
staan en in rang op hem volgen, talrijk zijn en alleen uit de burgers worden
gekozen; zoodat uit elke volksafdeeling drie of vier of vijf, (als er niet meer
dan zeshonderd zulke afdeelingen zijn), te zamen een lid van dezen Raad zullen
uitmaken, niet voor het leven maar voor 3 of 4 of 5-jaar, zoodat ieder jaar
het derde, vierde of vijfde gedeelte van hen op nieuw verkozen moet worden.
Bij; deze verkiezing zal men er evenwel vooral op moeten letten dat uit iedere
afdeeling minstens één rechtsgeleerd afgevaardigde gekozen worde.*
------
* In de Republiek der Vereenigde Nederlanden kwamen ook van de verschillende steden ettelijke Afgevaardigden, waarbij meestal ook een Pensionaris of Rechtsgeleerde was die het woord deed.
§ 16. Deze verkiezing moet door den Koning zelven geschieden. Op den bepaalden
tijd van het jaar, vastgesteld ter verkiezing van nieuwe Raadsleden, moet iedere
Volksafdeeling de namen van al haar burgers die hun vijftigste jaar bereikt
hebben en als aanspraak hebbenden op dit ambt op behoorlijke wijze zijn voorgedragen,
aan den Koning overhandigen; waaruit de Koning dan naar eigen verkiezing een
keuze moet doen; terwijl in het jaar waarin een rechtsgeleerde in een der afdeelingen
(Districten) door een ander vervangen moet worden, alleen namen van rechtsgeleerden
aan den Koning moeten worden ingeleverd. Zij die dit raadsheerlijke ambt gedurende
den bepaalden tijd hebben waargenomen, mogen na afloop daartoe niet terstond
weder benoemd worden, noch binnen vijf jaar of langer op de lijst der personen
worden gebracht die daarvoor in aanmerking komen.
De reden waarom het noodig is ieder jaar uit elke afdeeling een te kiezen, is
om te zorgen dat de Raad niet nu eens uit geheel onervaren nieuwelingen, dan
weer (alleen) uit ingewijden en zaakkundigen zou zijn samengesteld, wat noodzakelijk
het geval zou zijn als allen tegelijk aftraden en nieuwen hen vervingen. Indien
echter ieder jaar uit elke afdeeling een wordt gekozen, dan zal nooit meer dan
een vijfde of vierde of hoogstens een derde deel van den Raad uit nieuwelingen
bestaan. Mocht soms de Koning, daarin door andere bezighedenverhinderd of om
eenige andere reden gedurende langeren tijd zich met deze verkiezing niet kunnen
bezig houden, dan moeten de Raadslieden zelven voorloopig nieuwe leden verkiezen,
totdat de Koning zelf anderen kiest, of hen, die de Raad koos, bevestigt.
§ 17. De voornaamste plicht van dezen Raad moet zijn, de grondwet* van
het Rijk te handhaven en raad te schaffen betreffende de aanhangige zaken, opdat
de Koning wete wat er in het belang van het Gemeenebest moet worden besloten;
en wel in dier voege, dat het den Koning niet vrijstaat iets omtrent een of
andere aangelegenheid te bepalen, dan na te voren de meening van dezen Raad
te hebben ingewonnen. Indien de Raad evenwel, zooals meestal gebeuren zal, niet
tot overeenstemming mocht kunnen komen maar in zijn boezem verschil van meening
blijft bestaan, zelfs nadat men twee of driemaal de zaak ter sprake heeft gebracht;
dan moet deze niet langer worden uitgesteld maar moeten de afwijkende meeningen
den Koning worden voorgelegd, zooals wij in art. 25 van dit Hoofdst. nader zullen
aantoonen.
------
* "Grondwet" beteekent bij Spinoza zooveel als Staatsregeling, die in vroegere tijden zelden geschreven maar streng geëerbiedigd werd.
§ 18. Bovendien zij het de taak van dezen Raad 's Konings verordeningen of besluiten ter openbare kennis te brengen, uit te voeren hetgeen ten algemeenen nutte (in Rempublicam) besloten is en als 's Konings stadhouders zorg te dragen voor het geheele Rijksbeheer.
§ 19. Niemand heeft toegang tot den Koning dan door middel van dezen Raad terwijl ook aan dezen alle bede- of verzoekschriften, moeten worden ingeleverd die men den Koning mocht willen aanbieden. Zelfs zullen de Gezanten van vreemde Mogendheden geen vergunning kunnen krijgen tot een onderhoud met den Koning dan door tusschenkomst van dezen Raad, terwijl de brieven, die uit den vreemde aan den Koning gezonden worden hem door dezen Raad moeten worden ter hand gesteld; kortom, terwijl de Koning te beschouwen is als de ziel van den Staat, is deze Raad gelijk aan de uitwendige zintuigen van die ziel of het lichaam van den Staat, waardoor de ziel den toestand van den Staat waarneemt en door middel waarvan de ziel alles doet wat zij meent dat voor haar het best is.
§ 20. De zorg om 's konings zonen op te voeden, moet mede aan dezen Raad
worden opgelegd, evenzeer als de voogdij, indien de Koning komt te sterven terwijl
zijn opvolger nog een kind of een knaap is.* Op dat echter de Raad intusschen
niet zonder Koning zij, moet uit de edelen van den Staat de oudste worden gekozen,
om 's Konings plaats in te nemen totdat de wettige opvolger den ouderdom bereikt
heeft waarop hij den last van het bewind op zich kan nemen.
-----
* Willem III was eerst door zijn moeder opgevoed. Maar later wist Jan de Witt het door te drijven dat deze taak haar uit de handen genomen en hem toevertrouwd werd, om Willem III te maken tot kind van Staat.
§ 21. Gerechtigden (Candidati) tot dezen Raad zijn zij, die het bestuur, den grondslag en den toestand van het Rijk welks onderdanen zij zijn, kennen; wie echter deplaats van een rechts-geleerde wil bekleeden, moet behalve het bewind en den toestand van den Staat wiens onderdaan hij is, ook die van andere staten kennen, waarmede men in betrekking staat. Niemand kan echter op de lijst der voor te stellen leden gebracht worden, dan die zijn 50e jaar heeft bereikt, zonder voor eenig misdrijf te gevonnisd zijn.
§ 22. In dezen Raad mag omtrent Rijkszaken geen besluit genomen worden dan bij aanwezigheid van alle leden; en indien iemand wegens ziekte of om andere redenen niet tegenwoordig kan zijn, moet hij een ander uit dezelfde afdeeling, die of vroeger hetzelfde ambt bekleed heeft of voorkomt op de lijst der te kiezen leden, in zijn plaats zenden. En indien hij ook dit niet heeft gedaan, en de Raad wegens zijne afwezigheid de overweging van een of andere zaak tot een volgenden dag heeft moeten uitstellen, moet hij met een duchtige geldboete gestraft worden. Dit alles geldt echter alleen wanneer er sprake is van iets dat het geheele Rijk betreft b.v. over vrede en oorlog, of het afschaffen of invoeren van een of andere wet, over den koophandel, enz. Is er daarentegen sprake van iets dat slechts de een of andere stad betreft, van smeekschriften, enz. dan is het voldoende dat de grootste helft van den Raad aanwezig zij.
§ 23. Opdat onder de afdeelingen in alles gelijkheid heersche, en een vaste orde van zitten, voorstellen en spreken worde bewaard, moet elks beurt worden in acht genomen, zoodat de een na den ander in de zittingen de voorzittersstoel bekleedt, en zij die in deze zitting de eerste, in de volgende de laatste is. Maarvan hen, die tot denzelfden kring (District) behooren, moet hij de eerste zijn, die het eerste gekozen is.
§ 24. Deze raad moet minstens viermaal in het jaar worden opgeroepen om van de lands-dienaars (Ministri) rekenschap te eischen van het Rijksbeheer, om den stand van zaken te leeren kennen en te zien of er soms nog het een of ander te bepalen valt. Intusschen is het duidelijk, dat zulk een groot aantal burgers onmogelijk voortdurend de algemeene belangen kan behartigen, en dewijl deze ondertusschen niettemin moeten worden waargenomen, moeten uit dezen Raad vijftig of meer personen gekozen worden, die als de Vergadering ontbonden is, hare plaats vervangen en dagelijks moeten vergaderen in een zaal nabij het Hof; teneinde dagelijks zorg te dragen voor de schatkist, de steden, de versterkingen, de opvoeding van den zoon des Konings, i.e.w. voor al hetgeen aan den grooten Raad is opgedragen en boven is opgesomd; terwijl zij bovendien nog kunnen beraadslagen over nieuwe zaken, waaromtrent nog geene besluiten genomen zijn.
§ 25. Is de Raad vergaderd, dan moeten, voor er iets ter tafel gebracht wordt, 5 of 6 of meer Rechtsgeleerden uit de Afdeelingen, welke in die zitting vooraan zitten, naar den Koning gaan om hem de smeekschriften of brieven die zij mochten hebben ontvangen, over te leggen, hem den staat van zaken kenbaar te maken en eindelijk van hemzelf te vernemen, wat hij in zijnen Raad ter tafel wenscht gebracht te zien. Na dit te hebben vernomen, gaan zij naar de Vergadering terug en opent hij die volgens de beurt voorzitter is, de beraadslagingen over die zaak. Wordtdeze of gene zaak door sommigen van bizonder gewicht geacht, dan moet men er niet terstond over stemmen, maar haar zoolang uitstellen als de drang der zaak zelve toelaat. Als dan de Raad tot op dien bepaalden tijd is uiteen gegaan, kunnen de afgevaardigden van ieder district afzonderlijk daarover spreken en mocht de zaak hun van groot ge wicht schijnen, anderen, die hetzelfde ambt bekleed hebben of aangewezen Raadsleden zijn, daarover raadplegen; - mochten zij het binnen den bepaalden tijd niet eens kunnen worden, dan stemt die Afdeeling niet mede, want iedere Afdeeling kan maar een stem uitbrengen. Is dit niet het geval, dan draagt de Rechtsgeleerde van die Afdeeling in behoorlijken vorm het gevoelen dat door haar het beste gekeurd is, in den Raad zelf voor en evenzoo de anderen, en mocht, na het hooren der gronden voor verschillende meeningen aangevoerd, het der meerderheid goeddunken de zaak nog eens te overwegen, dan worde de Vergadering weer tot op een bepaald tijdstip ontbonden en dan zal iedere Afdeeling verklaren wat nu zijn onveranderlijke meening is. Als dan ten slotte in voltallige Raadszitting de stemmen geteld zijn, dan wordt elk gevoelen dat geen honderd stemmen op zijn minst voor zich verkregen beeft, van onwaarde verklaard.. De overige uitspraken moeten aan den Koning voorgelegd worden door alle Rechtsgeleerden die de zitting hebben bijgewoond, om daaruit, na de redenen der verschillende partijen gehoord te hebben, te kiezen welke hij wil. De Rechtsgeleerden gaan inmiddels heen en keeren weder naar de Vergadering terug, waar allen den Koning op een door hem bepaalden tijd afwachten om te hooren aan welke der hem voorgelegde meeningen hij meent de voorkeur te moeten geven, en wat hij zelf oordeelt dat gedaan moet worden.
§ 26. Om voor de rechtsbedeeling te zorgen moet er een anderen Raad alleen
uit rechtsgeleerden gevormd worden, wiens taak het is twisten te beslechten
en misdadigers te straffen; met dien verstande echter, dat alle gewezen vonnissen
door hen, die in de plaats van den grooten Raad optreden, moeten worden goedgekeurd
ten einde toe te zien of ze met in achtneming van alle gebruikelijke rechtsvormen
zijn gewezen, en zonder eenige partijdigheid. En indien soms de partij die het
onderspit dolf, mocht kunnen aantoonen dat een der rechters door eenig geschenk
van zijn tegenstander was omgekocht* of wel een meer gewone reden tot gunstbetoon
jegens dien tegenstander of tot haat jegens den veroordeelde zelf had gehad,
of wel dat de gewone rechtsorde niet was in acht genomen dan moet zulk een geding
weer van nieuws worden aangevangen. Dit alles nu zou waarschijnlijk moeilijk
in toepassing kunnen worden gebracht door lieden, die als er sprake van misdaad
is, den beschuldigde niet zoo zeer door bewijsredenen als wel door de pijnbank
tot bekentenis plegen te brengen. Maar ik denk hier aan geen andere orde van
rechtspleging dan aan zulk eene die het beste past voor een volmaakte staatsinrichting.**
-------
* Wat in onze Republiek niet zelden voorkwam.
** Waardoor de pijnbank als middel tot overtuiging veroordeeld wordt. Glasemaker mist de beide laatste zinnen.
§ 27. Bovenbedoelde rechters moeten in grooten en onevenen getale zijn, b.v. 61 of 51 op zijn minst terwijl er uit iedere Afdeeling slechts een mag gekozen worden, niet voor het leven maar zoo dat ook van hen jaarlijks een gedeelte aftreedt, en even zooveel anderen weer gekozen worden, die uit andere Afdeelingen moeten zijn en allen den leeftijd van veertig jaar bereikt moeten hebben.
§ 28. In dezen Raad mag geen vonnis worden uitgesproken dan in tegenwoordigheid
van alle rechters.
Mocht iemand wegens ziekte of andere redenen gedurende langeren tijd de Vergadering
niet kunnen bijwonen, dan moet er zoolang een ander benoemd worden om zijn plaats
te vervullen.
Wordt er gestemd dan moet ieder zijn gevoelen niet met luider stem uitspreken,
maar dit door steentjes kenbaar maken.
§ 29. Het inkomen van dezen Baad en van de plaatsvervangers* van den vorigen
moet bestaan eerstens uit de goederen** van hen die door den Raad zelf ter dood
veroordeeld zijn en voorts ook van hen die tot een of andere boete verwezen
worden. Bovendien ontvangen zij van iedere uitspraak over geschillen tusschen
burgers een zeker gedeelte van de som waarover het geding loopt, van hem die
de zaak heeft verloren, en dit komt mede aan beiden Raden ten goede.
-----
* De plaatsvervangers zijn zij die de dagelijksche zaken waarnemen. Zie § 24.
** Hier moet "bona" in den tekst worden ingevuld, zooals de Hollandsche Vertaler zeer goed heeft ingezien, en ook overeenkomt met Oud-Hollandsch gebruik.
§ 30. Onder genoemde Raden staan in elke stadweer andere, wier leden evenmin voor hun leven moeten worden benoemd, maar waarvan jaarlijks een gedeelte gekozen wordt en wel alleen uit die familien die in de stad zelf wonen. Dit behoeft hier echter niet verder te worden uiteengezet.
§ 31. In vredestijd moet aan het krijgsvolk geen soldij worden uitgekeerd; in oorlogstijd slechts een dagelijksche tegemoetkoming aan hen die door dagwerk in hun onderhoud moeten voorzien. Daarentegen moeten de bevelhebbers en de overige aanvoerders van den troep (officiarii) geen ander voordeel van den krijg te verwachten hebben dan den buit op den vijand veroverd.
§ 32. Indien een vreemdeling de dochter van een burger heeft gehuwd, moeten
zijn kinderen als burgers beschouwd worden en ingeschreven worden op de lijst
van de Afdeeling waartoe de moeder behoort. Aan hen echter die, hoezeer uit
vreemde ouders, toch in het rijk zelf zijn geboren en opgevoed, moet het recht
gegeven worden voor een bepaalde som het burgerrecht te koopen van de Schouten*
van een of andere Afdeeling, om dan op de lijst van die Afdeeling te worden
gebracht.
En al mochten ook de Schouten uit winzucht een of anderen vreemdeling beneden
den vastgestelden prijs onder de burgers opnemen, dan worden daardoor toch de
belangen van het Rijk niet geschaad; integendeel, er moeten allerlei middelen
worden bedacht om het getal der burgers te vermeerderen en een grooten toevloed
van menschen te verkregen. Wie echter niet op de lijst der burgers voorkomt,
moet billijkerwijze, althans in oorlogstijd, zijn vrijstelling door werken of
eenigerlei geldelijke opbrengst vergoeden.
-----
* Daar ik de familie vergelijk met het Ambacht, zoo heb ik hier het woord Chiliarch met Schout vertaald. Men ziet dat "familie" hier meer dan bloedverwantschap omvat.
§ 33. Gezanten die in vredestijd naar andere Staten gezonden moeten worden om verbonden te sluiten of te bevestigen, moeten allen uit den Adel gekozen worden; terwijl de door hen te maken onkosten uit de schatkist van den Staat moeten worden bestreden en niet uit de gelden van het Huis des Konings.
§ 34. Die aan het hof verkeeren en tot het hofgezin behooren en door den
koning uit eigen middelen bezoldigd worden, moeten van elk Staatsambt of betrekking
worden uitgesloten.
Met voordacht zeg ik "die door den Koning uit eigen middelen bezoldigd
worden" om de soldaten van zijn lijfwacht daarvan uit te zonderen. Want
geen anderen dan de burgera der hofstad zelven, moeten op het Hof voor de poorten
van het paleis als lijfwacht voor den Koning dienst doen.
§ 35. Oorlog moet alleen gevoerd worden om rust te verkrijgen, zoodat alle strijd moet ophouden zoodra, de oorlog geëindigd is. Zijn er dus in den oorlog steden veroverd en is de vijand overwonnen, dan moeten er zulke vredesvoorwaarden gemaakt worden dat men de veroverde steden niet behoeft te bezetten. Te dien einde moet men den vijand bij het vredesverdrag de gelegenheid geven die steden terug te koopen, ofwel, indien men hierdoor in gevaar zou blijven verkeeren in den rug te worden aangevallen, ze volkomen verwoestenen de inwoners naar andere plaatsen doen verhuizen.
§ 36. De koning mag geen vreemdelinge ten huwelijk nemen* maar alleen
iemand van zijn bloedverwanten of medeburgeressen huwen; en wel onder die voorwaarde,
dat als hij een burgeres trouwt de naaste bloedverwanten zijner echtgenoote
geen Staatsambt mogen waarnemen.
-----
* De noodlottige invloed der Engelsche huwelijken onzer Stadhouders Willem II en Willem III waren vermoedelijk voor Spinoza een der redenen van deze uitsluiting.
§ 37. Het Rijk moet ondeelbaar zijn. Indien dus de Koning meerdere kinderen heeft dan is de eerstgeborene van hen rechtens troonopvolger. Men moet nooit toestaan dat zij het rijk onder elkaar verdeelen, noch ook dat het onverdeeld aan allen te zamen of aan enkelen hunner worde toevertrouwd, en allerminst dat een deel van het rijk als huwelijksgift aan een dochter worde afgestaan. Want in geen geval moet men dulden dat dochters bij erfopvolging op den troon komen.
§ 38. Indien de koning zonder mannelijk oir gestorven is, moet hij die hem het naast in den bloede bestaat als erfgenaam van den troon optreden, tenzij deze bijgeval een vreemdelinge tot vrouw heeft, waarvan hij zich niet wil laten scheiden.
§ 39. Wat de Burgers betreft, zoo blijkt uit § 5 Hst. III, dat elk hunner verplicht is, 's Konings besluiten of bevelen, door den Volksraad ter openbare kennis gebracht (zie over dezen eisch § 18 en 19 van dit Hst.) hoe onzinnig hij die moge achten te gehoorzamen, of anders door het gerecht daartoe gedwongen moet worden.Dit nu zijn de grondslagen waarop een Eenhoofdig Bewind moet worden gevestigd om duurzaam in stand te kunnen blijven, zooals wij in het volgende Hoofdstuk nader bewijzen zullen.
§ 40. Wat eindelijk den godsdienst betreft, zoo moet er nooit eenige kerk op stadskosten gebouwd worden, noch eenigerlei verordeningen gegeven worden betreffende gezindheden, tenzij deze van oproerigen aard zijn en de grondslagen van de Staatsgemeenschap trachten te ondermijnen. Daarom late men aan hen wien vergund wordt in 't openbaar godsdienstoefening te houden over, om zoo 't hun lust, op eigen kosten een kerk te bouwen, terwijl de koning een afzonderlijke kapel in zijn paleis kan bekomen, om daarin den godsdienst, dien hij is toegedaan, te doen houden.