Staatkundig Vertoog Hoofdstuk 10
(Spinoza's Tractatus politicus in de vertaling van Meijer)

HOOFDSTUK X.
(ONDERZOEK NAAR DE VRAAG OF DE BEHANDELDE REGENTENHEERSCHAPPIJEN OOK NOG INWENDIGE GEBREKEN HEBBEN, DIE HUN VAL KUNNEN VEROORZAKEN.)

§1 Na aldus de grondslagen van beide Regentenheerschappijen te hebben ontvouwd en aangetoond, staat ons nog te onderzoeken of ze ook door een of ander gebrek in den aanleg kunnen worden ondermijnd of in een andere soort van regeering overgaan. De voornaamste oorzaak waardoor dergelijke rijken ten ondergaan, is, volgens de opmerking van den schranderen Florentijn* (Boek 3 Hst. I der Redevoeringen over Titus Livius,) deze dat zich namelijk "in elk rijk," evenals in 's menschelijk lichaam "dagelijks een en ander ophoopt dat nu en dan gezuiverd moet worden," weshalve het z.i. noodzakelijk is, dat er soms iets gebeurt waardoor het rijk terugkeert tot zijn uitgangspunt, den toestand waarin het verkeerde, toen het begon zich te vestigen. Indien dit niet binnen den vereischten tijd gebeurd is, zullen de inwendige gebreken zoodanig toenemen dat ze niet te verwijderen zijn dan met opheffing van het Rijk zelf, terwijl, hetgeen hij hier bedoelt, naar zijn meening, of bij geval of door het beleid en de schranderheid der wetten óf van een man met buitengewone gaven te weeg gebracht kan worden. Zonder twijfel is deze zaak van het hoogste gewicht en kan een rijk waarin in dit bezwaar niet voorzien is, nooit door eigen kracht, maar alleen door een gunstigen samenloop van omstandigheden in stand blijven; terwijl aan den anderen kant, daar, waar voor deze kwaal een afdoend geneesmiddel is aangewend, het rijk onmogelijk door innerlijk verval, maar alleen door een onverbiddelijk noodlot ten val kan komen; zooals wij weldra duidelijk zullen maken. Het eerste middel dat tegen deze kwaal werd aangewend, was dat men elke vijf jaar voor een of twee maanden een Rijksvoogd** aanstelde, met het recht de handelingen der Raadsheeren zoowel als van alle andere Rijksambtenaren na te gaan, te beoordeelen en te berechten, en zoodoende het rijk weer tot zijn oorspronkelijken toestand terug te brengen. Doch die de gevaren van een of andere Staatsinrichting vermijden wil, moet middelen aanwenden die zich met den aard dier Staatsregeling verdragen en uit de beginselen daarvan zijn af te leiden; want anders strandt hij op Scylla, terwijl hij zich inspant Charybdis te ontzeilen. Nu is het wel waar dat allen, Regenten zoowel als geregeerden, door vrees voor straf of scha weerhouden moeten worden, zoodat het onmogelijk zij om straffeloos of zelfs met voordeel kwaad te doen; maar daarentegen is het niet minder waar, dat een rijk waarin brave zoowel als booze lieden door deze vrees bevangen zijn, zeer zeker in groot gevaar verkeert. Daar nu de macht van den Rijksvoogd onbeperkt is, moet deze natuurlijk voor allen evenzeer te duchten zijn, vooral indien, zooals men verlangt, op vastgestelden tijd een Rijksvoogd wordt verkozen, dewijl alsdan ieder eerzuchtig man zich beijveren zal naar dien eerepost te dingen, en men altijd ziet dat in vredestijd niet zoo zeer op burgerdeugd dan wel op uiterlijk aanzien wordt acht geslagen, zoodat men te gemakkelijker eereposten verkrijgt, naarmate men zich meer laat voorstaan. Misschien was dit wel de reden dat de Romeinen de gewoonte hadden, niet op een vastgestelden tijd, maar alleen als de nood hen onverwachts daartoe dwong, een Rijksvoogd aan te stellen. En toch was om Cicero's woorden te gebruiken "het opzienbarend bewind van een Rijksvoogd voor bezadigde burgers altijd een ergernis." En inderdaad, aangezien de macht van een Rijksvoogd volkomen met die van een Koning gelijk staat, gaat het niet zonder gevaar voor den staat, de regeering op een gegeven oogenblik in een koninklijke te veranderen, al geschiedt dit ook voor nog zulk een korte spanne tijds. Hierbij komt, dat, als er geen bepaalden tijd is aangewezen voor de verkiezing van een Rijksvoogd, men volstrekt geen acht zal slaan op den tijd die tusschen den een en den ander is verloopen, wat volgens onze meening zeer nauwkeurig in acht genomen behoort te worden, en dat de maatregel zelf dan ook zeer onbepaald zou zijn, zoodat hij ligt geheel in vergetelheid zou kunnen geraken. Indien dus deze Rijksvoogdij niet altijddurend en onveranderlijk is, een macht die met behoud van dezen regeeringsvorin nooit aan een man kan worden opgedragen, zal zulk een rijk zelf en mitsdien het welzijn en het behoud van het Gemeenebest, in zeer onzekeren toestand verkeeren.
-----

* Macchiavelli.
** Dictator, Tijdelijk onbeperkt heerscher.

§ 2. Daarentegen houden wij ons overtuigd (volgens § 3 Hoofdst. VI) dat ingeslopen gebreken nooit zulk een omvang zullen kunnen verkrijgen dat ze onuitroeibaar en onverbeterlijk zijn, indien met behoud van den Regeeringsvorm, een zwaard als dat van den landvoogd voortdurend geheven kon zijn, en boosdoeners alleen tot afschrik dienen. Om aan al deze eischen te voldoen, hebben wij gezegd dat aan den Volksraad een Raad van State moest toegevoegd worden, opdat namelijk het bovenbedoelde Rijkszwaard voortdurend in handen zou blijven niet van een of ander natuurlijke persoonlijkheid, maar van een rechtspersoon, bestaande uit zooveel leden dat zij het bewind onmogelijk onder elkander kunnen verdeelen (§ 1 en 2 van Hoofdst. VIII*) en ook niet allen kunnen samenspannen tot het bedrijven van een misdaad, waarbij nog komt dat zij van het vervullen van andere rijksbetrekkingen zijn uitgesloten, dat zij geen soldij aan het leger uitbetalen, en eindelijk dat ze zulk een leeftijd bereikt hebben dat ze het behoud van het bestaande en hun veiligheid verkiezen boven nieuwe en hachelijke proefnemingen. Zoodoende heeft het rijk van hen geen enkel gevaar te duchten en kunnen zij alleen boosdoeners maar geenszins braven burgers schrik inboezemen; hetgeen dan ook werkelijk het geval is.
Want even weinig als zij zelven in staat zijn kwaad te doen; even krachtig zullen zij zijn in het beteugelen van de boosheid. Immers behalve dat zij elk kwaad reeds in den aanvang kunnen tegengaan, (dewijl hun Vergadering aanblijvend is) zijn ze bovendien talrijk genoeg om zonder wraak te duchten een of ander machtige persoonlijkheid aan te klagen en te durven veroordeelen; vooral daar de stemmen met steentjes worden uitgebracht en het vonnis uit naam van den geheelen raad wordt gewezen.
-----

* De eerste Uitgaaf heeft "het vorige Hst."

§ 3. Wel waren de Tribunen of Volkstaalmannen te Rome ook onafzetbaar, maar toch waren ze niet in staat de macht van een Scipio te weerstaan; bovendien moesten zij wat hun doelmatig toescheen, aan den Senaat (Regeeringsraad) zelf onderwerpen, die hun vaak allen invloed wist te benemen door namelijk te zorgen dat het gemeen bij voorkeur mannen verkoos, waarvan de Raadsheeren zelf weinig te vreezen hadden.
Daarbij kwam dat het gezag der Tribunen tegenover de Patriciërs, afhing van de gunst van het volk en dat zoo vaak zij het volk opriepen, het meer den schijn had alsof ze oproer gingen maken dan wel een Volksvergadering bijeenroepen. Al welke bezwaren in een rijk als wij in de twee voorafgaande Hoofdstukken beschreven hebben, inderdaad niet kunnen voorkomen.

§ 4. Evenwel nogtans zal men door het gezag der Staatsraden alleen dit kunnen bewerken dat de staatsregeling in stand wordt gehouden en daarmede voorkomen dat er inbreuk wordt gemaakt op de wetten en dat men met voordeel onrecht kan plegen; men zal er echter volstrekt niet door voorkomen dat er gebreken insluipen die door geen enkele wet zijn tegen te gaan, zooals die, waarin menschen die te veel vrijen tijd hebben, gewoonlijk vervallen en die niet zelden den val van een rijk veroorzaken. Want als de menschen, in vrede levende, eenmaal alle vrees terzijde gezet hebben, worden ze langzamerhand van woeste barbaren, goede burgers en beschaafde menschen, en vervolgens van beschaafd, verweekelijkt (verwijfd) en lui, waarbij de een den ander niet in geestkracht, maar in pracht en. overdaad zoekt te overtreffen; waarop men er ten slotte toe komt de vaderlijke zeden te minachten en zich vreemde eigen maken, d. i. zich te verknechten.

§ 5. Om deze rampen te keeren heeft men dikwijls-getracht wetten tegen de weelde te maken*; maar vruchteloos. Want alle wetten die men kan overtreden, zonder een ander leed te doen, worden bespot: en wel verre dat zij der menschen lusten en begeerten beteugelen, wakkeren zij ze integendeel aan, want altijd haken wij naar 't geen verboden is, en begeeren 't geen ons wordt ontzegd. Leegloopers ontbreekt het bovendien nooit aan vernuft om wetten te ontduiken die uitgevaardigd worden tegen daden die men onmogelijk verhinderen kan, als daar zijn: het houden van gastmalen, het spelen, uiterlijke tooi en al dergelijke dingen, wier overdaad alleen verkeerd is en die alleen te beoordeelen zijn in verband met ieders vermogen, zoodat zij in in 't geheel niet onder algemeene regelen te brengen zijn.
-----

* Zooals Lodewijk XIV o.a. destijds deed, en ook bij ons is voorgekomen. Deze wetten werden nergens slechter nagekomen dan door de Amsterdamsche patriciërs zelven.

§ 6. Ik houd mij dan ook overtuigd dat al die eigenaardige schaduwzijden van den vrede, waarvan hier sprake is, nooit rechtstreeks maar zijdelings moeten worden tegengaan, door namelijk den Staat zoo in te richten dat de meerderheid der burgers wel niet verstandig leven wil, want dat is onmogelijk - maar zich leiden laat door begeerten, waarvan het Gemeenebest niet anders dan baat kan hebben. Daarom moet men liet er vooral op toeleggen om de rijken niet zoo zeer gierig als wel geldgierig te maken. Want er is geen twijfel aan of de meeste menschen zullen, indien hun zucht om geld te verdienen, die een algemeene en onuitroeibare menschelijke eigenschap is, door eerzucht wordt aangevuurd, met allen ijver zich er op toeleggen hun vermogen zonder schandelijke middelen te vergrooten, om daardoor tot eer en aanzien te geraken en groote schande te ontgaan.

§ 7* Letten wij nu op de grondslagen van beiderlei Regentenregeering, door mij in de twee vorige Hoofdstukken uiteengezet, dan zullen we zien dat dit alles juist het gevolg van hun inrichting is. Want in beide is het aantal Regenten** zoo groot dat voor de meerderheid der vermogende burgers den toegang tot de regeering en het verkrijgen van eereposten open staat. En als nu nog bovendien wordt vastgesteld (zooals wij bespraken in § 47 Hoofdst. VIII) dat Regeeringspersonen (Heeren) die meer schuld dan vermogen hebben, uit den Regentenstand verstooten worden, en zij die hun fortuin door een noodlottig toeval verloren, weer in het bezit daarvan worden gesteld; is het zeker dat allen zooveel mogelijk hun geld zullen trachten te bewaren. Naar vreemde kleedij zullen zij verder nooit verlangen noch de vaderlandsche kleederdracht verwerpen, indien bij de wet bepaald is dat de Regenten en zij die naar eereposten dingen, zich door een bijzondere kleedij moeten onderscheiden, waarover ik gesproken heb in § 25 en 47 van Hoofdst. VIII en bovendien kunnen in elk rijk weer andere middelen worden uitgedacht in verband met landaard en volksgeest, bij al hetwelk vooral gezorgd moet worden dat de onderdanen veeleer uit eigen beweging dan door de wet gedwongen, hun plicht vervullen.
------

* In de Lat. text is § 7 vergeten. De Hollandsche vertaling geeft aan waar het cijfer moet staan. De vreemdelingen hebben het allen verkeerd geplaatst.
** numerus Regentium. Zie VIII § 30.

§ 8. Want een regeering die op niets anders bedacht is dan de menschen door vrees daartoe te bewegen, moet veeleer zonder gebreken dan wel deugdelijk ingericht heeten. Men moet de menschen zoo weten te te leiden dat ze meenen niet geleid te worden maar geheel naar eigen zin en lust te leven; in dier voege namelijk dat ze alleen in toom gehouden worden door vrijheidszin, winzucht en de hoop op het bekleeden van eereposten of rijksbetrekkingen. Gedenkpenningen, feestelijke intochten, en andere dergelijke middelen om hen tot plichtsbetrachting aan te sporen, zijn veeleer teekenen van slavernij dan van vrijheid. Want slaven wel, geen vrijen beloont men voor hun moed.
Ik weet wel dat de menschen door dergelijke prikkels in hooge mate aangevuurd worden; maar terwijl men al deze eerbewijzen aanvankelijk slechts aan groote mannen wijdt, worden ze later, daar de een den ander benijdt, ook aan nietswaardigen en menschen die trotsch op hun geld zijn, toegekend, tot groote ergernis van alle weldenkenden.
Voorts meenen zij die zich verheffen op de zegetochten en gedenkpenningen hunner vaderen, dat hun onrecht geschiedt, als zij niet aan anderen worden voorgetrokken, en eindelijk is het, om al het andere met stilzwijgen voorbij te gaan, ontegenzeggelijk dat de gelijkheid - met wier verlies noodwendig ook de algemeene vrijheid te loor gaat, - in 't geheel niet te handhaven is, zoodra men aan een of anderen bijzonder verdienstelijken man van Staatswege buitengewone eer bewijst.

§ 9. Laat ons nu, na dit overwogen te hebben, eens nagaan of dergelijke regeeringen ook ten gevolge van eenig gebrek dat aan hun eigen inrichting te wijten is, ten val kunnen komen. Zeker is het, dat als eenig rijk kan blijven bestaan, het zulk een zal zijn, welks eenmaal goed samengestelde inrichting ongeschonden be-bewaard blijft. De wetten toch zijn de ziel van elk rijk, zoodat als deze worden geëerbiedigd, ook het rijk in stand zal blijven. De wetten nu kunnen niet ongeschonden blijven, tenzij ze zoowel door de Rede als door de algemeen verspreide menschelijke neigingen gesteund worden; want anders, als ze namelijk alleen op de hulp der Rede steunen, zijn ze ten eenenmale krachteloos, en geraken licht buiten werking. Maar de wijl wij nu hebben aangetoond dat de grondbeginselen van beide soorten van Regentenregeering, met de rede en 's menschen hoofdneigingen in overeenstemming zijn, mogen wij beweren, dat zoo eenig rijk, dan dit voorzeker onvergankelijk zal zijn, of wel nooit door een gebrek in eigen inrichting, maar (alleen) door een of ander onverbiddelijk noodlot ten val te brengen is.

§ 10. Toch kan ons nog worden tegemoet gevoerd, dat al vinden ook de bovenvermelde regeeringsbeginselen hun steun in de Rede en de meest voorkomende menschelijke neigingen, zij desniettemin te eeniger tijd zouden kunnen bezwijken. Want er is geen begeerte die niet wel eens door een sterker en daaraan tegenovergestelde begeerte wordt overheerscht. Zoo zien wij immers de vrees voor den dood niet zelden verwonnen door de begeerte naar andermans goed*; terwijl zij die door vrees verbijsterd voor den vijand vluchten, zich door niets anders schrik laten aanjagen of weerhouden, maar in het water springen of zich in het vuur werpen om het staal der vijanden te ontkomen.
Hoe volkomen dus ook een staat zij ingericht en hoe voortreffelijk haar grondwet geregeld zij; zoodra een rijk in benarde omstandigheden geraakt en allen, gelijk men dat kent, door zekeren panischen schrik worden bevangen, laten ze zich alleen bewegen door hetgeen hun op 't oogenblik door de vrees wordt ingegeven zonder eenigszins te denken aan de toekomst of de bestaande wetgeving; aller oogen richten zich op een of ander door zijn krijgsdaden beroemd persoon,** dezen stelt men boven de wet, verlengt telkens den duur van zijn bewind (wat een zeer verderfelijk beginnen is) en vertrouwt het geheele Gemeenebest aan zijne zorgen toe; hetgeen zonder eenigen twijfel de oorzaak is geweest van den val van het Romeinsche rijk. Als antwoord op dit bezwaar, zeg ik ten eerste dat in een wel ingerichten Staat een dergelijke schrik niet dan om gewettigde redenen ontstaat; en dat dus die angst en de verbijstering daardoor ontstaan aan geen oorzaak kan worden geweten, welke door menscheiijk beleid vermeden had kunnen worden. Voorts bedenke men dat het in een Staat als door ons hierboven beschreven is, volgens § 9 en 25 van Hoofdst. VIII, ondenkbaar is, dat de een of ander door den roem zijner daden zoo uitsteekt, dat hij aller oogen tot zich trekt; het kan niet anders of hij heeft meerdere mededingers, die weer door anderen begunstigd worden.
Al mocht er dus ook eens uit angst eenige verwarring in onzen Staat ontstaan, toch zal niemand de wet kunnen schenden noch een of ander tegen den eisen der wet tot opperbevelhebber*** kunnen uitroepen, zonder dat terstond daartegen verzet ontstaat van hen die anderen verlangen; om welken strijd uit te maken het ten slotte noodzakelijk zal zijn, tot de eenmaal vastgestelde en door allen goedgekeurde wetten terug te keeren, en 's rijks zaken volgens de bestaande wetgeving te regelen. Ik kan dus met grond beweren, dat zoowel een rijk dat slechts van een Stad afhangt, als vooral zulk een dat door verscheiden Steden wordt beheerd, onvergankelijk is, d.w.z. door geen innerlijk gebrek te gronde kan gaan of in een anderen staatsvorm worden omgezet.
-----

* Op diefstal volgde oudtijds heel licht de doodstraf.
** Hier geldt het weer Willem III.
*** In de Republiek zeide men Kapitein-Generaal.